Britten zijn al eeuwen gek op Hollandse meesters

Even terug in Nederland

Het Mauritshuis toont vanaf donderdag 22 Hollandse meesters uit 12 Britse landhuizen. Er hangen er nog honderden. Waarom waren zeventiende-eeuwse Hollandse schilders zo populair in Engeland?

Pieter Jansz. Saenredam, The Interior of the Church of St Catherine, Utrecht (1636) uit Upton House. Foto National Trust

Je had er die maar een paar jaar bleven. Zoals Jan Lievens. Hij kwam in 1632 naar Londen, waar hij vooral portretten schilderde van de familie van de koning, Charles I. Drie jaar later vertrok hij weer, de schilderijen zijn verloren gegaan.

Landschapsschilder Cornelis van Poelenburch bleef ook maar kort, van 1637 tot 1641. Hij kwam zelfs op verzoek van Charles I, die een verwoed kunstverzamelaar was. Gedurende die vier jaar verbleef hij in een huis waarvan de koning de huur betaalde.

Anderen woonden er langer. In 1641, het jaar van Van Poelenburchs vertrek, arriveerde Peter Lely vanuit Haarlem in Engeland. Hij bleef er de rest van zijn leven en maakte in die krap veertig jaar, tot 1680, met hulp van de assistenten in zijn atelier honderden schilderijen. Lely nam de Engelse nationaliteit aan, Britten spellen zijn naam soms als Peter Lilly.

Maar de echte invasie van Hollandse schilders begon halverwege 1672, beter bekend als het Rampjaar.

Cornelis de Heem, A Still Life of Flowers and Fruit arranged on a Stone Plinth in a Garden (ca. 1672) uit Dyrham Park. Foto National Trust

In dat jaar werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van diverse kanten aangevallen, in maart door Engeland, daarna ook nog door Frankrijk. Juni 1672, twee maanden na zijn oorlogsverklaring, nodigde de Engelse koning Hollandse kunstenaars uit zich in Engeland te komen vestigen. Charles II was al even geïnteresseerd in schilderkunst als wijlen zijn vader.

En ze kwamen: vanwege de oorlog, waardoor de economische situatie was verslechterd, wegens de toegenomen concurrentie in eigen land, waar steeds meer kunstenaars betaalbare schilderijen aanboden, of simpelweg omdat ze een nieuwe uitdaging zochten. Zo groot was de toestroom, dat er in Londen een ware Nederlandse schilderskolonie ontstond.

Ze waren bovendien vaak productief. Schilderijen van Peter Lely bijvoorbeeld, zegt Quentin Buvelot, hoofdconservator van het Mauritshuis in Den Haag en samensteller van de tentoonstelling National Trust, Hollandse meesters uit Britse landhuizen, hingen in die tijd overal, het was bijna overkill”.

Ham House

Het is een donderdag in september, een maand voordat de tentoonstelling begint. Een paar verslaggevers lopen met hem door Ham House, een landhuis aan de oevers van de Theems bij Londen. Elizabeth Murray, Duchess of Lauderdale en indertijd eigenares van Ham House, was één van de belangrijkste opdrachtgevers van Peter Lely, we zijn haar in het huis al op drie schilderijen van hem tegengekomen. Eén portret ontbreekt, we zagen het op een expositie in Bath en het komt later naar Den Haag. Hertogin Elizabeth is erop te zien als jonge vrouw, haar blanke huid komt prachtig uit tegen de achtergrond van grijze lucht boven donker bos, het blauw van haar satijnen japon versterkt het effect nog.

Gewoonlijk hangt dat werk boven de open haard in wat ooit haar slaapkamer was, boven de deuren links en rechts van het bed hangen nog wel twee zeegezichten. Die zijn gemaakt door Willem van de Velde de Jonge, die met zijn vader, Willem van de Velde de Oude, in 1672 naar Londen kwam. Net als Peter Lely bleef Van de Velde de Jonge er tot zijn dood (in 1707).

Peter Lely, Lely’s Portret van Elizabeth Murray, Countess of Dysart, de latere Duchess of Lauderdale (1648) uit Ham House. Foto National Trust

De zeegezichten zijn ter plekke gemaakt en ingebouwd, ze kunnen niet van hun plaats. Peter Lely’s Lely’s Portret van Elizabeth Murray, Countess of Dysart, de latere Duchess of Lauderdale (1648) wel, het hing tot medio september op de tentoonstelling Prized Possessions in het Holburne Museum in Bath. Die tentoonstelling, met 22 schilderijen uit 12 Britse landhuizen, komt naar het Mauritshuis. Naast het portret van de hertogin gaat het om De slag bij Kijkduin (1673) tussen Engeland en Holland van Willem van de Velde de Oude (waarvoor hij als ‘oorlogscorrespondent’ in opdracht werkte van de Engelsen), Landschap met Tobias en de engel (1625) van Cornelis van Poelenburch en twee werken van Jan Lievens – van één is lang gedacht dat het een Rembrandt was, zijn naam staat nog op de lijst van Wijze man bij een tafel (1631). Verder onder meer: Jan Steen, Gerard ter Borch, Rembrandt (een echte, de authenticiteit is recent vastgesteld), Pieter de Hooch, Aelbert Cuyp.

Waarom waren de Engelsen zo dol op Hollandse schilders? En hoe verwierven ze hun schilderijen in de jaren nadat er een einde was gekomen aan de ‘Hollandse kolonie’?

Rembrandt van Rijn, Self portrait wearing a white feathered bonnet(1635) uit Buckland Abbey. Foto National Trust

Boven de haard

Het begon allemaal, zegt Quentin Buvelot, „met het ontbreken van een Engelse schildertraditie in de zeventiende eeuw”. Na het ontstaan van de Anglicaanse Kerk was de belangrijkste opdrachtgever tot dan toe, de Rooms-Katholieke Kerk, weggevallen. In Nederland, dat protestant was geworden, ontbrak die opdrachtgever ook. Het verschil: „Bij ons ontstond in die tijd een welvarende, nieuwe kopersmarkt: veel mensen hadden schilderijen in huis hangen, dat konden ze zich veroorloven. Er kwam ook een enorme variëteit aan onderwerpen op: stillevens, landschappen, scènes uit het dagelijks leven.”

De Engelse adel kocht Hollands, Frans en Italiaans. De belangrijkste decoratie van Ham House, het plafond van het privé-appartement waar Elizabeth Murray gebeden opzegde, thee dronk en vrienden ontving, liet ze maken door Antonio Verrio. Italianen werden gezien als de beste schilders, Hollanders waren alledaagser. Behalve voor de hoge adel werkten ze ook voor het middensegment, waarvoor ze bijvoorbeeld betaalbare jachtstukken voor boven de open haard maakten.

Maar alledaags of niet, de Engelse verzameldrift van zeventiende-eeuwse Hollandse meesters ging nog een paar eeuwen door. De thema’s van de stillevens en de landschappen sloten goed aan bij het karakter van de landhuizen, die dankzij de toegenomen welstand vaak werden uitgebreid: extra vierkante meters muur om te vullen. In de achttiende eeuw was het de adel die kocht, een eeuw later waren het vooral bankiers, handelaren en industriëlen: de nouveaux riches.

Cuyp-gekte

Ook in de twintigste eeuw werd nog verzameld. Vier van de volgens Quentin Buvelot mooiste schilderijen die naar Den Haag komen werden in de eerste helft van de twintigste eeuw gekocht door Walter Horace Samuel, zoon van de grondlegger van Shell Transport & Trading Co. Gewoonlijk hangen ze in Upton House (Banbury, boven Oxford): Wijze man bij een tafel van Jan Lievens, De vermoeide reiziger (1660-1661) van Jan Steen, Interieur van de Catharinakerk te Utrecht (1660) van Pieter Saenredam en Het Duet (1660) van Gabriël Metsu. Dat laatste is een klein portret van twee mogelijke geliefden, de vrouw op de voorgrond draagt een jurk van weergaloos mooi geschilderd satijn met bont.

Aelbert Cuyp, View of Dordrecht (from the Maas) (1658) uit Upton House.
Foto National Trust
Aelbert Cuyp, View of Dordrecht (from the Maas) (1658) uit Upton House.
Foto National Trust

Maar het topstuk van de tentoonstelling is Gezicht op Dordrecht vanuit het noorden (1655) van Aelbert Cuyp, een twee meter breed doek met een verbluffende lichtval, tot in de punten van de rietstengels zie je de ondergaande zon. In de Nederlandse catalogus wijdt Quentin Buvelot een speciaal hoofdstuk aan dit schilderij en aan wat hij „de Engelse Cuyp-gekte” noemt.

Van alle schilders van het Hollandse landschap was Aelbert Cuyp het meest geliefd. „Er werden zulke hoge bedragen neergelegd voor zijn werk, dat wij in Nederland bijna geen schilderijen meer van hem over hebben.” Het Rijksmuseum verwierf er in 1965 één uit het bezit van de Engelse tak van de Rothschild-familie en het Mauritshuis heeft een permanent bruikleen, ook uit Engeland. Quentin Buvelot, in het Holburne Museum in Bath staand voor Gezicht op Dordrecht vanuit het noorden: „Zo’n Cuyp voor het Mauritshuis, dat is een droom.”

    • Gretha Pama