Recensie

Alles valt op zijn plaats bij Raoul De Keyser

Expositie in Gent

Raoul de Keyser is een van de meest geliefde Belgische schilders van de vorige eeuw. Hij hield zich ver van het grote leven en schilderde graag het kleine.

Raoul De Keyser, Hellepoort 7(1985). Foto Kristien Daem

Raoul De Keyser is een fluisteraar. Zo’n schilder die zijn verf tot leven brengt op kleine doeken, met minimale middelen, de voorstellingen balancerend op de grens van figuratie en abstractie. Een hond. Een raamkozijn. Een voetbaldoel. Een uitgeveegd groen vierkant. Wat vettige roodbruine stippen. Een egaal rood vlak. Een egaal blauw vlak. Zijn biografie, die op een muur in het SMAK in Gent uitgebreid wordt uitgemeten, vermeldt dat De Keyser (1930-2012) het grootste deel van zijn leven woonde in het dorpje Astene (4900 inwoners) bij Gent en naast zijn carrière als schilder ruim veertig jaar als ‘administratief consulent’ werkte – meteen denk je aan zijn Nederlandse tegenhanger Jan Schoonhoven. Allebei schilders die welbewust buiten het ‘grote leven’ stonden en die in hun werk de wereld wilden afpellen, reduceren, minimaliseren tot… ja, wat eigenlijk?

De Keyser, ondertussen, is zonder twijfel een van de beroemdste en meest geliefde Belgische schilders van de tweede helft van de twintigste eeuw. Dat zou in theorie zomaar verbazingwekkend kunnen zijn, tot je het grote overzicht van zijn oeuvre ziet dat nu in het SMAK in Gent is samengesteld – en dat volkomen overtuigt. De verzamelde doeken hebben een wonderlijke, bijna meditatieve uitwerking: alsof je afdaalt naar een wereld die je nog nooit hebt gezien, maar waar alles op zijn plaats valt, waar alles tot zijn essentie is teruggebracht, zonder dat het saai of eenduidig wordt – een zinderende leegte. Maar dat roept dan wel meteen een nieuwe vraag op. Want hoe je het ook wendt of keert: de stijl, de techniek, dat balanceren op de grens van figuratie en abstractie komt ook terug bij tientallen andere schilders van zijn generatie uit Nederland, België, de Verenigde Staten en noem maar op – maar die zijn allemaal veel minder goed dan De Keyser. Hoe komt dat? Wat maakt hem zo bijzonder?

Raoul De Keyser, Siesta (2000). Foto Kristien Daem

Kaler en kaler

Het mooie aan deze SMAK-expositie is dat de samenstellers daar zowaar een idee over lijken te hebben. De tentoonstelling, grof-chronologisch ingericht, begint met De Keysers vroegste werk, dat hij maakte toen hij al midden dertig was. Het zijn de jaren van de pop-art en aan alles zie je dat De Keyser wel een idee heeft van zijn fascinaties, maar nog te onzeker is (‘administratief consulent’) om zich helemaal los te maken van de tijdgeest, een ‘kwaal’ die trouwens opvallend lang in zijn werk zal blijven meespelen.

Al op de eerste doeken zien we bijna alleen maar objecten uit zijn directe omgeving, een grasveld, zijn hond, de deurklink, een tuinslang, geschilderd in een heldere, door scherpe lijnen afgebakende pop-art-variant, ergens tussen Roy Lichtenstein en Reinier Lucassen in. Maar al snel begint De Keyser te abstraheren. Vanuit zijn atelierraam heeft hij uitzicht op een voetbalveld en hij schildert allerlei elementen uit die sport: het net van het doel, de krijtlijnen, de vele varianten op grasgroen – typische overgangsdoeken, zeker niet slecht, maar nog net een tikje te braaf. Maar het moet het steeds minder, kaler en kaler – ergens onder de alledaagsheid. Abstracter en abstracter wordt het werk aan het begin van de jaren zeventig. Naar de bodem van het bestaan.

Raoul De Keyser, Séjour (2001). Foto Kristien Daem

Zekerheid

En dan, eind jaren zeventig, gaat De Keyser los. Of het de tijdgeest was, die de schilderkunst toch al had ‘doodverklaard’ en van schilders voortdurend verlangde dat ze hun medium rechtvaardigden, of dat hij, bijna vijftig, simpelweg voldoende ervaring had: ineens viel alles op zijn plek – wat ook weer eens bewijst hoe grillig kunstenaarscarrières kunnen zijn. Misschien dat we het achteraf al een beetje zien hadden kunnen zien aankomen in sommige voetbaldoeken, of in de subtiliteit waarmee hij de verftoetsen zet in zijn abstracte werk, maar op de tentoonstelling is het net alsof de zon doorbreekt: schilderijen als Clochard (een minimalistisch doek dat bijna uit elkaar valt van ‘onzekerheid’ of Een van de zeven voor Jeanne, nr. 1 (ja, die titel is vrij erg) met z’n groengeel gevlekte ‘aarde’ en helderblauwe ‘lucht’ zijn meesterlijk – en zo zijn er veel meer. En je snap ook hoe dat komt: De Keyser heeft een eigen schilderlogica heeft gevonden, een wereld van stijl en verf en ideeën en uitzicht waarmee hij oneindige veel schilderijen kan scheppen die steeds anders zijn en toch volkomen eigen. Alsof hij, zoals de meeste goede kunstenaars, langzaam zijn eigen mogelijkheden is gaan herkennen, een fundament onder zijn verbeeldingswereld heeft gevonden dat hem zoveel zekerheid biedt dat hij alles aan kan.

Dat is natuurlijk het punt: die onzichtbare wereld die De Keyser had opgebouwd (stijl, techniek, verbeelding), was uniek in zijn rijkdom en zijn kracht – een enorm diepe bron. Daarmee steeg hij, vanuit Astene, boven bijna al zijn tijdgenoten uit. Tegelijk lijkt, opvallend genoeg, een enkel schilderij ineens héél veel op dat van grote collega’s als Barnett Newman en Gerhard Richter. Toch is dat geen probleem; je voelt dat De Keyser geen poging deed ze na te doen, maar tijdens het werken simpelweg op dezelfde dilemma’s stuitte en daar min of meer dezelfde oplossingen voor bedacht. Dat maakt dit ook zo’n mooie tentoonstelling: je kunt hier gemakkelijk geloven dat De Keysers wereld een waarheid vertegenwoordigt. Dat alles in diepste wezen best eens echt zo zou kunnen zijn. Niet waar vermoedelijk, maar het feit dat De Keyser je zo ver weet te krijgen – dat zegt eigenlijk wel genoeg.

    • Hans den Hartog Jager