We halen het wel / we halen het niet

Beperken opwarming aarde Lukt het de mens om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad Celsius? Het klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC) is zeer kritisch. Vijf redenen om toch optimistisch te zijn. En vier om dat juist niet te zijn.

IJsbergenvoor de kust van Groenland. Zelfs als de uitstoot van broeikasgassen sterk wordt teruggedrongen, blijven de oceanen nog een tijd verder opwarmen. Foto’s Lucas Jackson/Reuters

    Optimisme

  1. We hebben iets meer tijd om het doel te halen

    Dat komt omdat voor het maandag verschenen IPCC-rapport het zogeheten ‘koolstofbudget’ is herberekend, en dat blijkt ruimer dan gedacht. Het budget geeft aan hoeveel CO2 de mens nog in de atmosfeer mag uitstoten voordat de limiet van 1,5 graden is bereikt. Het budget lag op 420 gigaton CO2, maar komt na herberekening uit op 570 gigaton (er zitten wel grote onzekerheden in deze berekeningen). De jaarlijkse, door de mens veroorzaakte CO2-uitstoot bedraagt nu 42 gigaton. Dat betekent dat het budget niet binnen tien jaar op is, maar binnen 13,5 jaar. Als de mens in de tussentijd zijn jaarlijkse uitstoot ook nog sneller naar beneden brengt, koopt hij nog meer tijd.

    Lees ook het nieuwsbericht: VN pleit in nieuw klimaatrapport voor ingrijpende maatregelen
  2. Uit het IPCC-rapport blijkt dat er meerdere wegen zijn om binnen de 1,5 graden-grens te blijven

    Er is dus iets te kiezen: meer of minder kernenergie, meer of minder biomassa, meer of minder opvang en ondergrondse opslag van CO2. En dan zijn sommige technologieën nog amper meegenomen in de scenario’s. Voorbeelden die het rapport noemt zijn vleesvervangers, kweekvlees, en grootschalige algenkweek – om bijvoorbeeld veevoer van te maken. Het inzetten van die technologieën zou de emissies door landbouw sterk kunnen verminderen, en land kunnen vrijmaken voor andere doeleinden (bijvoorbeeld herbebossing). Ook sommige technologieën om CO2 uit de lucht te halen, zoals het alkalischer maken van de oceanen (ontzuring), zijn niet meegenomen.

  3. Langzaamaan groeit het aantal landen dat zijn uitstoot van broeikasgassen vóór 2050 tot nul wil hebben teruggebracht

    Zweden wil dat zelfs voor 2045 en legde dit vorig jaar bij wet vast. In Noorwegen is sinds begin dit jaar een wet van kracht om het land in 2050 ‘koolstofneutraal’ te hebben. Californië wil ook in 2045 zover zijn. En eind vorig jaar verklaarden landen (waaronder Brazilië, Mexico, Nieuw Zeeland, Nederland en Frankrijk) om hun uitstoot in lijn te brengen met het Parijsakkoord.

  4. Het wordt voor de Europese industrie steeds duurder om CO2 uit te stoten

    Binnen het zogeheten emissiehandelsysteem kost het uitstoten van een ton CO2 inmiddels circa 20 euro. Onder dat systeem vallen 11.000 bedrijven die veel energie verbruiken en samen zijn ze goed voor 45 procent van de Europese CO2-uitstoot. Ze krijgen een periodiek (iets) afnemende hoeveelheid rechten om CO2 te mogen uitstoten. Willen ze meer uitstoten, dan moeten ze daarvoor rechten bijkopen. Aangezien er steeds minder rechten zijn, gaat de prijs van een recht omhoog en worden bedrijven gestimuleerd om alternatieven te zoeken (zuinigere productiemethoden of overschakelen op duurzame energie). Het in 2005 opgezette systeem werkte jarenlang slecht doordat er een overvloed aan rechten was. Dat begint dus te veranderen.

  5. Er wordt veel geïnnoveerd op het gebied van duurzame groei

    In Duitsland, Denemarken en China is veel geïnvesteerd in de ontwikkeling van zonnecellen en windturbines, met steun van overheden. Deze landen lopen hierin nu voorop. Het beleid heeft geleid tot snelle prijsdalingen van zonne- en windenergie. Ook batterijen worden snel goedkoper, zegt André Faaij, hoogleraar energiesysteemanalyse aan de Rijksuniversiteit Groningen.

    Volgens hem zouden overheden nu ook meer moeten (durven) investeren in de technologie om CO2 op te vangen, en ondergronds op te slaan. En in het gebruik van biomassa voor de productie van transportbrandstoffen, elektriciteit of chemische grondstoffen. „Als dat van de grond komt kan de uitstoot snel omlaag.”

    Dat de maandag uitgereikte Nobelprijs voor de Economie naar William Nordhaus en Paul Romer is gegaan, voor hun werk om respectievelijk klimaatverandering en technologische vooruitgang in economische modellen te verwerken, benadrukt eens te meer de grote economische schade die klimaatverandering met zich mee kan brengen, en dus het belang van innovatie voor duurzame economische groei.

    Lees ook het interview met klimaatwetenschapper Heleen de Coninck: ‘Ik blijf geloven dat de wereld te redden is’

    Pessimisme

  1. Het wereldwijde klimaatsysteem kent na-ijleffecten

    Deze na-ijleffecten zorgen ervoor dat de aarde verder opwarmt, ook al is de uitstoot van broeikasgassen sterk teruggedrongen. Zo zal in het Arctisch gebied het zee-ijs voorlopig blijven afnemen als gevolg van de opwarming van de oceanen de afgelopen 150 jaar. Door het verdwijnen van zee-ijs wordt het oceaanoppervlak donkerder, absorbeert het meer zonnestraling, en blijft het opwarmen.

    Ook zullen de oceanen de opgeslagen warmte nog lang blijven afgeven aan de atmosfeer. Volgens het IPCC-rapport zorgen de naijl-effecten voor een opwarming van waarschijnlijk iets minder dan een halve graad. Met andere woorden: de opwarming binnen 1,5 graad houden betekent eigenlijk een maximum van 1,1 of 1,2 graad. En we zitten nu al op ongeveer 1 graad.

  2. We consumeren steeds meer en dat is een grote belemmering om het doel te halen, volgens het IPCC

    De wereldbevolking blijft groeien. Mensen blijven meer spullen kopen, en reizen steeds meer. De wereldwijde vraag naar fossiele brandstoffen groeit nog steeds. De door de mens veroorzaakte uitstoot van CO2 stijgt eveneens, al leek er even sprake van een afvlakking in de jaren 2014, 2015 en 2016. In 2017 is de uitstoot weer toegenomen, naar zo’n 42 Gt.

  3. Het klimaatprobleem is veel te complex om snel op te lossen

    Ook al omdat dit het liefst moet samen gaan met de duurzame ontwikkelingdoelen die de Verenigde Naties hebben opgesteld, zoals: geen armoede, geen honger, minder ongelijkheid, en behoud van biodiversiteit.

    Er zijn allerlei zogeheten ‘trade offs’, volgens het IPCC. Sommige duurzame technologieën vragen zoveel water, dat er tekorten kunnen ontstaan. Steden willen meer groen aanleggen, maar dat kan botsen met de behoefte aan meer woonruimte. De stad kan uitbreiden, maar dat botst met landbouw of natuur. De bescherming van kusten tegen zeespiegelstijging kan ten koste gaan van lokale koraalriffen, oesterbanken, mangroves, zeegras. En zo is er nog veel meer.

  4. Lees ook de analyse: Signalen genoeg, maar wat doet de politiek?
  5. Een snelle verlaging van de CO2-uitstoot wordt tegengewerkt door allerlei „vertragende elementen”

    Dat zegt Leo Meyer, projectleider van het IPCC-syntheserapport over klimaatverandering (2014). Denk aan olie-exporterende landen en multinationals die kolen, olie of gas winnen, die hun belangen willen verdedigen. Of de auto-industrie. Zo maakte Saoedi-Arabië, gesteund door Egypte, tot op het laatst bezwaar tegen het huidige IPCC-rapport en de boodschap om snel en massaal over te stappen op koolstofarme technologie. Arme landen willen daarnaast niet opdraaien voor problemen die hoofdzakelijk door rijke landen zijn veroorzaakt. Meyer: „Er wordt al decennia gesteggeld over hoe de lasten moeten worden verdeeld.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Marcel aan de Brugh