Opinie

Rechter kent geen twijfel: staat moet handelen in CO₂-zaak

Het hoger beroep duurde ruim drie en een half jaar, maar dan heb je ook wat. Het arrestvan het gerechtshof Den Haag dinsdag in de zaak van de milieuorganisatie Urgenda tegen de staat is helder, hard en onomwonden. In juni 2015 oordeelde de rechtbank, destijds zeer verrassend, dat de staat zijn zorgplicht schond door niet snel genoeg maatregelen te nemen tegen de CO₂-uitstoot.

Sindsdien werd min of meer verwacht dat het meestal wat conservatievere gerechtshof in Den Haag de staat gelijk zou geven. Bijvoorbeeld door de staat toe te geven dat de overheid vrij moet blijven om politieke keuzes te maken in de wijze waarop een doelstelling wordt bereikt. De Urgenda-zaak kon immers ook worden gezien als een inbraak in de trias politica – een poging om via de rechter terug te draaien wat het parlement kennelijk wil laten gebeuren. Omdat over radicalere stappen geen democratische consensus is.

Het tegenovergestelde is gebeurd. Het gerechtshof heeft geen twijfel over de vraag of de rechter hier bevoegd is. Ook niet over wat er moet gebeuren – en wat er aan de hand is. Het belangrijkste argument daarvoor wordt gevonden in het Europese mensenrechtenverdrag in combinatie met de urgentie van de milieukwestie.

Zulke gedetailleerde instructies van een rechter aan een kabinet in een belangrijk beleidsdossier zijn uniek

In het relatief beknopte vonnis wordt onomwonden gesteld dat er op korte termijn een gevaarlijke situatie dreigt „die vereist dat nu wordt ingegrepen”. De regering heeft tot nu toe te weinig gedaan „om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen”, en doet te weinig om de achterstand in te halen. In plaats van 20 procent in 2020 moet er een reductie van 25 procent worden behaald, wat „als een minimum” moet worden beschouwd, waarbij de huidige onzekerheidsmarge ook „niet acceptabel is”. Was getekend, de civiele kamer van het hof Den Haag, na weging van al het wetenschappelijk bewijs.

Zulke gedetailleerde instructies van een rechter aan een kabinet in een belangrijk beleidsdossier zijn tamelijk uniek. De staat zal allerlei redenen hebben om tegen deze uitspraak bij de Hoge Raad in cassatie te gaan, maar dit is er vast één van. Het argument van de staat dat het tot de vrije beleidsruimte van de overheid hoort om zélf de meest geschikte reductieroute te kiezen, met afweging van andere begrotingsposten als onderwijs, defensie, zorg, industrie, is immers óók niet zonder waarde.

Deze uitspraak zal ook internationaal de aandacht trekken. Net als de rechtbank in 2015, leidt het hof een zorgplicht voor het milieu van de staat direct af uit het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat hier rechtstreekse werking heeft. De bescherming van leven en de bescherming van woning en privéleven zijn daadwerkelijk in gevaar, oordeelt de rechter.

De overheid heeft dan een zorgplicht. Daaruit vloeit het voorzorgsbeginsel voort dat tot handelen verplicht. Dat de rechter zich terughoudend hoort op te stellen erkent het hof, maar legt weinig gewicht in de schaal. Het CO₂-reductiebevel biedt de overheid bovendien voldoende ruimte om in te vullen hoe dat uitgevoerd moet worden, vindt het hof. Het woord ‘terughoudendheid’ dat de rechtbank in 2015 nog zes keer gebruikte, neemt het hof helemaal niet in de mond.

Het wetenschappelijk klimaatbureau van de VN, het IPCC, waarschuwde deze week dat alleen bij ingrijpende maatregelen en ‘snelle veranderingen op grote schaal’ de beperking van de opwarming van de aarde met 1,5 graad Celsius nog haalbaar is. De uitspraak van het hof kan, nee, móét dienen om het kabinet tot een meer concrete invulling van het klimaatakkoord te dwingen dan waarmee het eind vorige week kwam.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.