Opinie

Koloniaal geluk is niet los te zien van koloniaal leed

Wie bracht het verkoelende drankje? Die vraag moet schrijver Kester Freriks zich blijven stellen als hij goede herinneringen ophaalt aan Indië, reageren de historici

Groepsfoto van de mannelijke en vrouwelijke arbeiders van de rubberplantage Balang Seragam in Deli, Oost-Sumatra, 1880 Foto Nationaal Archief

In zijn stuk Tempo doeloe – ook een mooie tijd betoogt schrijver en NRC-medewerker Kester Freriks dat de koloniale geschiedenis tegenwoordig alleen nog ‘veroordelend’ beschreven wordt: „Nederlands-Indië wordt gestigmatiseerd, met terugwerkende kracht. Nederland in Indonesië: dat was fout.” Hij stelt dat het inmiddels ‘verboden’ is om te zeggen dat iemand een gelukkig leven heeft geleefd in de kolonie. Historici worden er wel vaker van beschuldigd een feestje te verpesten, maar iemand persoonlijke herinneringen verbieden zou wel heel gemeen zijn. Is het echt zo erg? Het lijkt erop dat Freriks een aantal dingen – geschiedschrijving, collectieve en persoonlijke herinnering – door elkaar haalt.

Lees het stuk van Kester Freriks: Tempo doeloe – ook een mooie tijd

Freriks stelt dat er naast „vier eeuwen bitter leed” ook sprake was van „jubelend geluk”. Daarin heeft hij natuurlijk helemaal gelijk. In elke historische periode, hoe donker ook, is er óók sprake van geluk: mensen worden verliefd en baby’s worden geboren. Als historici hebben we de taak alle gebeurtenissen, mooie én minder mooie, te contextualiseren. In dit geval vond dat alles plaats binnen een gewelddadig systeem van koloniale onderdrukking.

Die context is, ook als we ons een beeld proberen te vormen van ‘koloniaal geluk’, van groot belang. Het valt immers niet te ontkennen dat een deel van het geluk van de Nederlandse en Nederlands-Indische koloniale kasten samenhing met het bestaan van koloniale onderdrukking. Wie oogstten de koffie en thee? Wie bracht een verkoelend drankje op de veranda op een warme dag? De ‘goede’ tijden van de koloniale elite bestond niet slechts naast het leed van de Indonesische bevolking, maar kwam voor een belangrijk deel voort uit koloniale machtsongelijkheid: een ongelijkheid die niet gekozen was, maar actief beschermd werd met de constante dreiging van zogenaamd ‘politioneel’ militair geweld.

Wie ‘verbiedt’ je met geluk terug te denken?

Die context negeert Freriks in zijn stuk. Maar daarnaast heeft hij ook een eigenaardig beeld van de verhouding tussen collectief en particulier geheugen. Wie ‘verbiedt’ hem met enige vorm van geluk terug te denken aan Nederlands-Indië? Welke groep historici of politici tikt hem op de vingers? De boekhandels liggen juist vol met memoires over Indië. Heeft Freriks niet vooral moeite met de discrepantie tussen persoonlijke, gelukkige herinneringen en de veranderende plaats van de koloniale periode in ons collectieve geheugen?

Ons collectieve koloniale geheugen is lang bepaald door het idee van een heerlijke tempo doeloe, die zogenaamd ‘goede oude koloniale tijd’. Vreemd is dat niet: een traumatische oorlogstijd, de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, gedwongen migratie en een koude en racistische ontvangst in Nederland hebben voor veel Indische Nederlanders de herinnering aan hun leven in Indië gekleurd en hun identiteit bepaald. Over die afschuwelijke tijd werd lang gezwegen, terwijl herinneringen aan de vooroorlogse tijd juist vaak werden verheerlijkt en overgedragen op de volgende generaties.

Maar door te kijken naar het ongelijke koloniale systeem kunnen we de complexe positie van Indische Nederlanders vóór de oorlog beter begrijpen en de ontwrichting van zo veel families in perspectief plaatsen. De geschiedenis is juist niet goed te schrijven als we het niet hebben over de structuren die vooroorlogs geluk in ieder geval gedeeltelijk bepaalden. Het erkennen van de pijn van postkoloniale migranten sluit het kritisch bestuderen van het koloniale verleden niet uit.

Een nieuwe balans

Freriks lijkt te betogen dat goede, persoonlijke herinneringen niet samen kunnen gaan met een pijnlijk collectief geheugen. Hij legt de schuld voor dit ongemak bij historici en de rest van de maatschappij. Maar wat is daarin de plek van degene die koste wat kost aan het idyllische beeld van Indië willen vasthouden?

In de laatste alinea van zijn stuk schrijft hij: „De emotionele aanvaarding van het definitieve afscheid van Indië valt velen zwaar, nog steeds. Het dwingt mensen ertoe hun paradijselijke én nachtmerrieachtige herinneringen opnieuw te ijken.” Hier zijn we het helemaal met hem eens. We moeten een nieuwe balans vinden tussen geschiedschrijving, collectief geheugen en persoonlijke herinnering: Vergangenheitsbewältigung noemen de Duitsers dat. Het is jammer dat het grootste deel van Freriks’ stuk in schril contrast staat met deze genuanceerde en humane laatste overpeinzing.