Een gezin in 1950. „Het is makkelijk die tijd te idealiseren”, zegt Paul Schnabel. „Mensen vergeten de vervelende dingen.”

Foto Hollandse Hoogte

‘Bijna iedereen was vroeger slechter af’

Socioloog Paul Schnabel Velen hebben het goed, maar de stemming in het land is daar niet naar, beschrijft Paul Schnabel in zijn nieuwe boek. „In de samenleving is altijd 15, 20 procent die structureel een gevoel heeft dat het niet eerlijk is, dat het niet goed gaat.”

Paul Schnabel woont op de Utrechtse Heuvelrug, in een groot, modern ingericht huis met kunst aan alle vier de woonkamermuren. Twee boeddha’s flankeren de kamer, ze zijn meegenomen uit Thailand, dus van betere kwaliteit dan wat men zoal bij de Blokker koopt. De fruittaartjes bij de koffie, met een verrukkelijke koekbodem en dito bavarois, passen perfect bij het huis.

Bij Schnabels geboorte (1948) stond deze luxe niet in de sterren geschreven. Na de oorlog hadden ze thuis „bijna niks’’, net als het merendeel van de Nederlanders. Auto’s en buitenlandse vakanties deden pas hun intrede in de jaren zestig. „Ik heb het veel makkelijker gehad dan mijn ouders”, zegt Schnabel.

Maar dit gesprek draait niet om hem. Zijn punt is: iederéén ging er in de afgelopen halve eeuw op vooruit. Binnen één generatie werd een groot deel van de bevolking uit de armoede getild. „Het is ongelooflijk hoe snel de veranderingen zijn gegaan”, zegt socioloog Schnabel, Eerste Kamerlid voor D66 en oud-directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Nooit eerder hadden zo veel mensen het zo goed: deze boodschap vormt de kern van zijn nieuwe boek Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht, dat deze dinsdag verschijnt.

Het boek is vernoemd naar een uitspraak die Schnabel als SCP-directeur vaak deed naar aanleiding van onderzoek naar het humeur van Nederland. Over hun privéleven zijn Nederlanders vaak erg tevreden, over de samenleving een stuk minder. Maar de doemstemming waarin het land soms lijkt te verkeren, doet de werkelijkheid geen recht, aldus Schnabel.

In een hoofdstuk getiteld ‘Tussen Luilekkerland en Utopia’ noemt hij alle ranglijsten waarop Nederland in de hoogste regionen prijkt: vierde op de Global Competitiveness Index, zevende op de Human Development Index, achttiende qua bruto binnenlands product, zesde op de World Happiness Report, zesde qua tevredenheid met het leven op de Better Life Index van de OESO.

Eind jaren negentig, toen u begon bij het SCP, ging het ook hartstikke goed met Nederland. Toch kwam Pim Fortuyn ineens op.

„In de samenleving is er altijd een groep van 15, 20 procent die structureel het gevoel heeft dat het niet eerlijk is, dat het niet goed gaat, dat zij altijd de prijs moesten betalen. Er was geen echte partij die hen vertegenwoordigde. Dat deed Fortuyn voor het eerst.”

Sindsdien is de stemming niet positiever geworden.

„Die mensen hebben nu een stem, maar de onvrede wordt er alleen maar groter door. Want die stem versterkt het beeld dat de politiek uit een kleine coterie bestaat die alles regelt. Kijk naar Wilders, die zegt in het parlement: die 1,5 procent koopkrachtstijging stelt niks voor, want de zorgkosten stijgen, dit stijgt, dat stijgt. Als goed parlementariër had hij kunnen weten dat dat allemaal al is meegerekend in die 1,5 procent. Maar het is politiek aantrekkelijk om dat niet te vertellen.”

Zouden politici vaker moeten benadrukken in wat voor geweldige tijd wij leven?

„Het lastige is: het zit in de volksaard, voor zover die bestaat, om een beetje zuinig te zijn, om niet te openlijk aan bewieroking van onszelf te doen. Ik denk wel dat er een taak ligt voor de media: die hebben er een handje van vooral negatieve dingen te beschrijven. De dingen die dagelijks goed gaan zijn geen nieuws.”

Het SCP staat met haar onderzoeken midden in de discussie. Worstelden jullie weleens met resultaten omdat jullie dachten: dit kan populisten in de kaart spelen?

„Ja, zeker. Maar dat betekent niet dat we dingen achterhielden. We hebben onderzoek gedaan in 2000 naar het huwelijkspatroon van de tweede generatie immigranten. Veel mensen haalden partners uit het herkomstland van hun ouders. Dat is slecht voor de integratie, dat hebben we opgeschreven. En ook dat de criminaliteitscijfers verschillend zijn voor verschillende groepen. Daar hadden we wel discussies over: moeten we dit laten zien? Maar je pleegt verraad aan je vak en je taak als je het niet laat zien.”

In alles is Schnabel nog de SCP-man: in de strenge scheiding die hij maakt tussen feiten en „normatieve uitspraken” (die hij liever niet doet), in de wij-vorm als hij over het instituut praat. „De taak van SCP of CBS is om te zeggen: natuurlijk is dat nieuws, maar dit is hoe het in de samenleving grotendeels toegaat. Kijk bijvoorbeeld naar het idee dat veel jongeren zelfmoord plegen. Als je naar de getallen kijkt, zie je: er zit een stijging in, voor mensen onder de 20 jaar van iets van 40 naar 80 in een jaar tijd. Dat geeft te denken, maar het eerste wat je als onderzoeker zegt, is: zal dit volgend jaar ook weer zo zijn, of hebben we hier toevallig met een uitschieter te maken?”

Moeten journalisten op statistiekles?

„Iedereen zou dat moeten doen! De meeste mensen hebben in hun leven weinig wiskunde nodig, maar beter inzicht in getallen en verhoudingen is handig. Zodat ze kunnen zien dat het niet waar is dat er steeds meer moorden worden gepleegd bijvoorbeeld.”

U ergert zich aan nostalgie naar vroeger tijden. Is er dan niets wat vroeger beter was?

„Dat is moeilijk om te zeggen. Zodra je zoiets zegt, moet je onmiddellijk vragen: voor wie was het beter? Bijna alle groepen waren vroeger slechter af. De natuur was misschien vroeger beter, maar er kon niemand naartoe, mensen hadden geen tijd en geen vervoersmiddelen.”

Toch raakte Jan Terlouw bij velen een snaar toen hij begon over het touwtje uit de brievenbus – het gevoel van veiligheid en saamhorigheid dat vroeger groter was.

„Ik zei toen ook al: tuurlijk hing er een touwtje, want moeder was de hele dag thuis en er viel in de jaren vijftig nog niets halen. Het is makkelijk om die tijd te idealiseren: mensen vergeten de vervelende dingen en verheerlijken de herinneringen.”

U beschrijft hoe het christendom rap verdwijnt uit de samenleving. Denkt u dat er met het verdwijnen van het geloof ook iets waardevols is verdwenen?

„Dat is zo moeilijk, dan zit je weer in dat normatieve. Rond het geloof zat een hele sociale structuur en die had soms het karakter van een harnas, maar het was ook stevig, het gaf steun, hield mensen bij elkaar, ordende hun wereldbeeld. Nu zie je dat mensen zelf dingen gaan zitten verzinnen en bij elkaar zoeken waar ze hun eigen wereldbeeldje van maken.”

Merkt u zelf nog iets van uw katholieke achtergrond?

„Ja, dat zit diep, ik ben ermee opgegroeid. Nog steeds voel ik in het contact met andere ex-katholieken een soort gemak in de omgang, een bepaald type vriendelijkheid, een zekere mate van vanzelfsprekend genieten van het leven, van dingen niet op de spits drijven.”

Elk jaar worden er meer dan honderd kerken verkocht, schrijft u. Wordt u daar als ex-katholiek niet nostalgisch van?

„Nee, niet nostalgisch… Ik ben er te ver vanaf om erdoor geraakt te worden. Ik ben socioloog, ik analyseer meer dan ik beoordeel.”

Toch, geeft Schnabel toe, heeft de boodschap van zijn boek iets stichtelijks. Hij wil niet alleen beschrijven, maar ook iets veranderen. Het boek laat de lezers zien dat hun leven ook heel anders had kunnen zijn, minder vrij, minder gemakkelijk, wanneer ze elders of eerder geboren waren. „Ik hoop dat mijn boek mensen helpt een beetje dankbaar te zijn voor het geluk dat ons allemaal heeft getroffen.”

    • Floor Rusman