Deelnemers aan de rechtszaak tegen Anders Breivik verschijnen in ‘22 July’ voor de media.

Moet dat wel, de narcistische terrorist Anders Breivik zo lang in beeld?

Paul Greengrass ‘22 July’ is de tweede film die dit jaar uitkomt over de Noorse massamoordenaar Anders Breivik; de film is te zien op Netflix én in de bioscoop. Regisseur Paul Greengrass: „Extremistische retoriek is nu ingeburgerd.”

Moet dat wel, de narcistische terrorist Anders Breivik zo lang in beeld? In docudrama 22 July van de Britse regisseur Paul Greengrass zien we de Noorse massamoordenaar aan de kunstmestbom werken die in Oslo acht levens eist. In zijn ‘ruftkamertje’ op zijn moeders flat zijn extremistisch knip-en-plak-manifest over ‘Knight Templars’ online zetten. In zelfgemaakt politie-uniform op de veerpont naar Utøya stappen, waar hij 69 kinderen en jongeren doodschiet op een zomerkamp van de Arbeiderspartij. Cultuurmarxisten, in zijn jargon.

Geef je een terrorist zo niet een platform? In Venetië, waar de Netflixfilm 22 July in première gaat, spreken we met de Noorse acteurs, schrijver Asne Seierstad – haar boek Een van ons vormt de basis van de film – en Greengrass, bekend van Jason Bourne en docudrama’s als United 93 en Captain Phillips. Greengrass: „Ik ken die denktrant. Toon je Breivik, dan moedig je anderen aan. Maar ze worden al aangemoedigd. Overal. Op internet, in de media, door politici. Populisme en extreem-rechts gaan niet weg als wij de andere kant opkijken.”

Greengrass’ idee voor 22 July ontstond drie jaar geleden, toen hij in Lampedusa research deed voor een speelfilm over de vluchtelingencrisis. „Dat schoot niet op, en door Seierstads boek begreep ik dat mijn focus eigenlijk Europa was. Dat was voor de Brexit, voor Trump, maar de politiek schoof al door twee met globalisering samenhangende trends: de kredietcrisis en meteen daarna een volksverhuizing zonder precedent. Elke controle leek weg, veel mensen schoten in een reflex van prikkeldraad, nationalisme en protectionisme, iedereen vergat hoe dat in de jaren dertig tot chaos en oorlog leidde.”

22 July begint met de bom in Oslo en de slachtpartij op Utøya. Al na drie kwartier is Breivik in de boeien en ligt op de noordpunt van het eiland de vijftienjarige Viljar op een rots met een kogel in zijn hoofd. Zijn brein puilt uit een gat in zijn schedel en zijn oogkas. Viljar is een soort metafoor voor Noorwegen; 22 July gaat over trauma en herstel. Hij overleefde miraculeus, al kunnen kogelfragmenten vlakbij zijn hersenstam hem te allen tijde alsnog de das omdoen. Terwijl Viljar revalideert, vraagt Noorwegen zich af wat ze met hun monster moeten doen. Een proces kan Breivik misbruiken voor propaganda, erg pijnlijk voor nabestaanden. Is het niet beter hem als ontoerekeningsvatbaar stilletjes in een kliniek weg te stoppen?

22 July is de tweede film over Utøya dit jaar. Op de Berlinale ging in februari al Utøya, 22 Juli van de Noor Erik Poppe in première: Greengrass werkte met zijn filmcrew. Poppe filmt de slachtpartij door de ogen van één denkbeeldig slachtoffer, Kaja. De 72 minuten, de exacte lengte van Breiviks moordpartij, beleef je in één lange, gedesoriënteerde take door Kaja’s ogen. Breivik is een dreigende schaduw tussen de bomen.

Politiek betoog

We moeten het kwaad onder ogen zien, stelt Poppe, maar critici stellen dat Utøya, 22 Juli dat juist niet doet. Door Poppes aanpak ervaar je het als pseudodocumentaire horror, met Breivik als gezichtsloze slasher. Waarom de angst van gedoemde tieners herbeleven als je dat verder geen betekenis geeft? Greengrass doet dat nadrukkelijk wel, wat hem weer blootstelt aan een ander verwijt: dat hij het drama gebruikt voor een politiek betoog. Toch valt dat beter te verdedigen: Breiviks moordpartij was immers politiek terrorisme.

In Venetië is de cast het eens: 22 July gaat over populisme en wat dat kan baren: nazisme. Voor Greengrass was het een „verpletterend moment” om Breiviks verklaring voor de Noorse rechtbank te herlezen. „Dan besef je dat zijn retoriek, die in 2011 nog extreem klonk, nu volledig mainstream is. Complotten, volksvijandige elites, cultuurmarxisten, nepdemocratie: die denktrant. In 2011 had Noorwegen niet de luxe zich in een eigen bubbel terug te trekken. Het land was gedwongen de democratie, de rechtsstaat en doodnormaal fatsoen terug te claimen en de strijd aan te gaan op het niveau van ideeën.”

Greengrass is de cineast van de massamoord. Denk aan Bloody Sunday (2002), over de slachting onder vreedzame Ierse betogers van 1972, of United 93 (2006), over het op 9/11 gekaapte toestel dat neerstortte toen passagiers in opstand kwamen. Wat heeft hij met bloedbaden? Peinzend: „Ik denk niet dat ik er ooit een film over kan maken die deprimerend of nihilistisch is. Grote tragedies prikkelen mij kennelijk om een waarheid of troost te zoeken die daarin verborgen ligt.”

Schrijfster Asne Seierstad, ook in Venetië, zit er niet mee dat 22 July Breiviks achtergrond slechts zijdelings aanstipt, net als het falen van de Noorse staat. Seierstad: „De politie reageerde traag en chaotisch in 2011, dat heeft veel jonge levens gekost. In het proces was Noorwegen op zijn best. Breivik mocht zijn zegje doen, kreeg een goede advocaat, een fair proces en een eerlijk vonnis.”

Waar Greengrass de film van Erik Poppe een „ander, aanvullend perspectief” noemt, vindt Seierstad 22 July „de eerste film over de aanslag”. „Poppes film mag je ‘72 minuten op Utøya’ noemen.” Greengrass duikt niet weg voor Breivik, gunt hem geen duistere mystiek. Maar staat hem ook niet toe de film te kapen. Psychiaters maken ruzie over zijn stoornis: anti-sociaal, psychopaat, narcistisch? Dat laatste vermoedelijk, maar het gaat niet om hem. Het gaat over Noorwegen dat opkrabbelt uit een nationaal trauma, over Viljar die Breivik met zijn beschadigde jonge gezicht confronteert in de rechtszaal.

Je wilt wraak, maar het bij vlagen ontroerende 22 July laat zien dat medelijden beter is dan wraak. En dat maakt de film zinniger én nuttiger dan Poppes versie. Want zeven jaar na dato bekennen jonge Noorse castleden in Venetië dat ze vooraf niet zoveel wisten over Breivik. In 2011 waren ze te jong, op school had niemand het erover. „Het is zo’n gruwel dat we er liever over zwijgen”, zegt Asne Seierstad. „Toen ik mijn boek schreef, vroegen collega’s me wat het nut was. Iedereen wist toch alles al? Ja, hoe snel vergeten we het? Nu is er in elk geval een boek dat elk feit heeft opgezocht, elke tegel heeft omgekeerd. En een film.” Al is 22 July meer dan huiswerk: het intense én waarheidsgetrouwe soort docudrama waarop Paul Greengrass een patent heeft.

    • Coen van Zwol