Opinie

    • Ellen Deckwitz

Aftellen

Dus ik sleepte mijn zus het zonlicht in want ze was al weken sikkeneurig. „Aaargh, dopamine, serotonine! Ik haat vitamine D!” siste ze toen ik haar naar buiten duwde. Ze veranderde nog net niet in een hoopje as. Eenmaal in het park stopte ze met haten op het weer (twintig graden, stralende hemel) en richtte ze haar humeur op de aanwezige stelletjes.

„Liefde is een leugen”, riep ze toen we langs het zoveelste verstrengelde setje wandelden want oh ja, haar stemminginflatie werd veroorzaakt door een gebroken hart. Nadat ze twee verliefde tieners omver probeerde te lopen, nam ik haar even apart.

„Kan je ook even normaal doen”, fluisterde ik, wat onwennig omdat dit gewoonlijk tegen mij wordt gezegd. „Niet alles is persoonlijk hè, die mensen leven ook maar hun leven en zijn toevallig eventjes wat gelukkiger dan jij.”

„Iedereen is gelukkiger dan ik”, riep ze en barstte in snikken uit. Ik hield haar vast en begon maar even niet over Yezidi -meisjes.

Daarna ging het stukken beter. Tijdens het tweede rondje door het park keek ze met een brede lach naar de verliefden. Bij het derde rondje was die grijns zo groot geworden dat ik begon te vermoeden dat ze onder invloed was.

„Niet dat ik weet”, glimlachte ze, met mondhoeken die op scheuren stonden. „Ik doe net alsof er boven al die stelletjes een klok hangt die aftelt tot hun liefde op is. Vallen ze opeens stukken beter te verdragen.”

Verbeelding is aanstekelijk: ook ik zag opeens overal aftelklokken boven de tortelaars. Het maakte al die verliefdheid schrijnend, iedere omhelzing vergeefs, want het zou eindigen. Het aftellen was al vanaf de eerste kus begonnen. Natuurlijk, er bestaan vast wel mensen die voor de rest van hun leven samenblijven, maar dan heb je weer het probleem dat partners zelden tegelijkertijd sterven (en wanneer dat wél gebeurt is het altijd weer zo’n tragedie). En dus had mijn zus met haar aftelklok een punt.

„Maar wat is het probleem?” vroeg de zenboeddhist me die avond, nadat ik over het aftellen had verteld. „Alles is toch eindig?”

„En ja het gaat om het moment bla bla bla koan koan bla bla de mens is een dromende vlinder bla”, zei ik, „maar het probleem is dat je toch wil geloven dat liefde voor altijd kan zijn, of op zijn minst tot de dood. Je wil er niet bij stil staan dat het ooit stopt, ook al is het omdat we sterfelijk zijn. Dat maakt het wrang en daardoor geniet je er minder van.”

„Het gaat in het leven niet om genieten”, zei de zenboeddhist.

„En het leven is zeker ook geen drama omdat het eindigt met de dood”, zei ik.

Gelukkig hebben we de momenten nog.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz