Opinie

    • Menno Tamminga

Nederlandse bazen, afgetroefd in Londen

Eén van de meest hardnekkige mythes in het Nederlandse bedrijfsleven is dat Nederlandse en Britse bedrijven zo goed bij elkaar passen. Dat Nederlandse managers soepeler met Britten werken dan met Franse of Duitse. En dat Neder-Britse fusies dus een betere kans van slagen hebben. Het bewijs? Shell (1907) en Unilever (fusie van Margarine Unie en Lever Brothers, 1930). Al generaties succes.

Unilever heeft de mythe vrijdag definitief ontkracht. Het concern capituleerde voor de grote Britse vermogensbeheerders die weigerden om in te stemmen met het opheffen van ‘hun’ Engelse aandeel. De City oogt heel internationaal, maar kent slechts één smaak van het kapitalisme, namelijk wat de geldelite thuis gewend is. Een bedrijf dat met zijn aandeel wil vertrekken, moet een overnamepremie regelen. Dat deed Unilever niet, omdat men ervan uitging dat het al één concern is. Dan is het wereldvreemd om een overnamepremie te betalen voor een bedrijfsdeel dat je al bezit.

Lees ook deze schets van culturele verschillen. Bij wie voelen Nederlandse managers zich senang?Britten, Belgen, Fransen?

Directievoorzitter Paul Polman en president-commissaris Marijn Dekkers van Unilever zijn niet de eerste Nederlanders die zich in de luren laten leggen door de Engelse stijl van leiding geven en de ogenschijnlijke consensus omdat men elkaars taal denkt te spreken. Als een Engelsman zegt We must have lunch someday, is het niet de bedoeling dat u meteen de agenda trekt voor een afspraak.

De fusie op basis van gelijkwaardigheid, de Nederlandse favoriet, is geen Engelse meezinger. „Al snel maakte de euforie plaats voor scepsis”, schrijft Bram Bouwens over de fusie (1999) van Hoogovens en British Steel in het recente Hoogovens-jubileumboek. De Britten bleken hiërarchischer ingesteld, de directievoorzitter was ouderwets de baas en bij benoemingen in de top hadden beleggers „een prominente rol”. Dat was compleet anders dan bij Hoogovens. Het fusiebedrijf dat Corus was gedoopt, werd al snel Brits.

Bij de fusie in 1992 van de uitgevers Elsevier en Reed International nam Elsevier-topman Pierre Vinken de drie hoogste Reed-managers mee naar een informeel overleg met de centrale ondernemingsraad van Elsevier. De Britten waren geschokt. Praten met arbeiders? Onder wie nog wel vakbondsleden? „Bij Reed kwamen die het hoofdkantoor niet eens binnen”, schrijft Paul Frentrop in zijn Vinken-biografie Tegen het idealisme. In bestuursvergaderingen verspraken Britten zich. Hadden ze het niet over de fusie, maar de overname. Na het vertrek van Vinken, verschoven het zwaartepunt en het hoofdkantoor naar Londen. Reed Elsevier, inmiddels RELX, hief dit jaar ook als laatste stap zijn Nederlandse aandeel op.

Polman en Dekkers wisten dat het vertrouwen onder (Britse) beleggers tekort schiet. In mei stemden in Londen beleggers met 36 procent van het Unilever-kapitaal tegen nieuwe beloningsvoorwaarden voor de top. Dat kwam in de buurt van een motie van wantrouwen.

En nu? Twee Nederlanders aan de top van een Brits-Nederlandse multinational past niet. Polman zou na tien jaar sowieso vertrekken. Wellicht Dekkers na dit echec ook.

Is het voedings- en zeepconglomeraat Unilever kwetsbaar voor een nieuwe vijandige overnamepoging, zoals begin 2018? De rente op leningen om het concern te kopen blijft ultra-laag. Er is een kern van ontevreden Britse beleggers. De Unilever-top zit in de verdediging. De politieke poortwachters zijn in verwarring (Rutte) of afgeleid (May). Elke beurshausse kent rond de piek wel een (achteraf) krankzinnig overnamebod, zoals dat op ABN Amro (2007). En, als laatste: conglomeraten die in meerdere sectoren werken (Philips, GE, Thyssen) zijn of worden onder beleggersdruk ontmanteld.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.
    • Menno Tamminga