Opinie

Denk in de eiceldiscussie aan belang van het kind

Vruchtbaarheid We luisteren naar eiceldonoren, wensouders, en fertiliteitsartsen, schrijft , maar helaas niet naar het mens dat door hun handelen ontstaat en dat ook een belang heeft.

In het Nederlands Tijdschrift voor Obstetrie en Gynaecologie betoogde filosoof Marcel Zuijderland vorige maand dat we moeten blijven nadenken over „een systeem van vergoedingen” voor vrouwen die hun eicellen doneren (Mag een eicel wat kosten?). En minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) zei recent dat hij „niet afwijzend” stond tegenover een ruimere leeftijdsgrens om eicellen te doneren en ontvangen.

Maar hoe verantwoord is het bieden van financiële compensatie en het verruimen van leeftijdsgrenzen voor vrouwen die hun eicellen willen afstaan? En wat zijn hiervan de consequenties? Een belangrijke factor lijkt over het hoofd te worden gezien: het belang van het ongeboren kind.

Moderne vruchtbaarheidstechnieken maken het vervullen van een kinderwens steeds beter mogelijk, maar dat heeft een sociale, medische en morele keerzijde. KRO’s Brandpunt maakte hierover eerder dit jaar de indrukwekkende documentairereeks De baby-industrie. Uit interviews met vrouwelijke donoren in de Verenigde Staten en in diverse Europese landen ontstaat een ontluisterend beeld. Vrouwen in achterstandsposities gebruiken het doneren van hun eicellen om hun gezin te onderhouden, geld te sturen naar hun nóg armere familie in het buitenland of in de hoop zichzelf zo een beter leven te bezorgen. Gezinnen draaien op het enige inkomen van moeders die hun gezondheid op het spel zetten door frequent eicellen te doneren of andermans kinderen te dragen. In de Verenigde Staten kunnen bemiddelde wensouders zelfs super eggs kopen van mooie, intelligente, atletische jonge vrouwen en zo hun eigen ‘superbaby’ creëren.

Het doneren van eicellen is echter niet zo eenvoudig als het doneren van sperma. Vrouwen moeten een ingrijpend medisch traject doorlopen bestaande uit injecties met hormonen, echo’s en tot slot een punctie om de eicellen te oogsten. Het is een proces dat intensief en pijnlijk kan zijn en dat niet te onderschatten mentale en fysieke risico’s met zich meebrengt. Zoals kans op depressie, bloedingen en infecties. En hoe verantwoord is het om vrouwen ertoe aan te zetten zulke risico’s te nemen, laat staan jonge vrouwen die hun eigen potentiële kinderwens nog moeten vervullen?

Vervullen van een kinderwens gaat steeds beter, maar heeft een sociale, medische en morele keerzijde

Maar ook los van de medische risico’s, en los van de vraag of er een constructie is te bedenken voor de vergoeding ervan die niet leidt tot uitbuiting of ongewenste commerciële exploitatie – waar is hier het perspectief van het ongeboren kind?

We luisteren naar fertiliteitsartsen, directeuren van klinieken, wensouders én donoren, maar niet naar het mens dat door hun handelen ontstaat. En voor dat mens is afkomst belangrijk, is een band met zijn of haar biologische ouders essentieel, dat weten we al jaren uit allerlei onderzoek en bronnen.

René Hoksbergen, emeritus hoogleraar adoptie aan de Universiteit Utrecht, doet nog steeds onderzoek naar gezinnen met zowel adoptiekinderen als biologische kinderen. Hij is van mening dat kinderen hoe dan ook bij hun biologische ouders moeten opgroeien. „Een kind heeft zijn eigen ouders nodig”, zei hij in Psychologie Magazine (maart 2009). „Je wilt als kind niet bij andere ouders opgroeien dan je biologische vader en moeder, ook al zijn die misschien helemaal niet zo goed. Je identificeert je met hen. […] Mijn bezwaar richt zich op het feit dat er iemand van buiten nodig is om de verwekking tot stand te brengen.”

Uit zijn onderzoek leerde Hoksbergen dat kinderen leed ervaren naar aanleiding van de manier waarop ze verwekt zijn en dat vindt hij niet te verantwoorden, vertelde hij me deze week telefonisch. „Vruchtbaarheidsartsen kijken alleen naar hun vak, naar de technische mogelijkheden. En wensouders alleen naar hun eigen verlangen. Maar het kind wil niet worden afgestaan, wil niet worden verkocht. Ouders en artsen beseffen niet dat ze immoreel bezig zijn.” Hoksbergen pleit dan ook voor afspraken in internationaal verband en voor afschaffing van anoniem doneren.

Lees ook: ‘En dan gaan we nu het embryo plaatsen’

Een tv-programma als Spoorloos laat eveneens zien hoe belangrijk afkomst is. Hoe essentieel het is te weten waar je vandaan komt, je ouders te kennen en je, in verschillende levensfases, te kunnen spiegelen aan je biologische vader en moeder. Voor de noodzaak daartoe wordt nog altijd gelobbyd, door bijvoorbeeld Stichting Donorkind. De voorzitter van die stichting, Ties van der Meer, schreef in de Volkskrant (18/4) over „het belang van de erkenning van de donor als belangrijk familielid van het kind”.

Ook Stéphanie Raeymaekers, actief voor de Vlaamse tak van deze stichting, maakt zich hard voor het recht van elk kind om zijn of haar afkomst te kennen. Als kind van een anonieme spermadonor weet zij niet wie haar vader is en heeft ze geen enkele bron of richting om hem te vinden. Daarmee te moeten leven geeft haar „een constant gevoel van ontworteling van haar ziel”, schreef ze in NRC (26/4).

De pijn van ongewenst kinderloos zijn wordt omgezet in andere pijn: die van een bestaan zonder wortels

Zelf groeide ik door omstandigheden op zonder biologische moeder; ze overleed toen ik een baby was. Nog altijd voel ik een verlangen naar haar en ervaar ik het gegeven dat ik haar nooit heb gekend, als een groot gemis. Een gemis dat me heeft gevormd en ik mijn hele leven bij me zal dragen. Uit eigen ervaring weet ik dat Hoksbergen gelijk heeft als hij zegt dat kinderen het liefst bij hun biologische ouders willen opgroeien. Hoeveel ik ook houd van mijn tweede moeder.

Gelukkig weet ik wie mijn biologische moeder is, is er een ruime basis die me hielp om me te verdiepen in mijn afkomst, in tegenstelling tot de kinderen van anonieme donoren die over geen enkel aanknopingspunt beschikken. Maar in het proces van volwassenwording, zelfbewustzijn en identiteitsontwikkeling, heeft een schakel ontbroken en dat is er een van grote waarde.

Het is dan ook vooral met het oog op de essentiële band tussen de biologische ouder en kind dat het opzettelijk en veelvuldig verwekken van kinderen die niet bij hun eigen biologische ouders zullen opgroeien veel kritischer bezien zou moeten worden.

Uit ervaringsverhalen weten we dat de kans bestaat dat de pijn van ongewenste kinderloosheid omgezet wordt in een andere pijn: die van een bestaan zonder wortels, die van het afgestaan of zelfs ‘verkocht’ zijn. Met het stimuleren van vrouwen om hun eicellen te doneren, lopen we het risico het verlangen van ouders naar een kind, in te vullen ten koste van datzelfde kind.

Het is immers het kind dat wordt opgezadeld met het ‘afgestaan zijn’, het kind dat het zal moeten doen met het slechts kennen van zijn of haar biologische moeder op afstand of op papier, het kind dat in het proces van volwassenwording minimaal een emotioneel complexer traject te wachten staat en dat de wetenschap ‘afgestaan’ en ‘gekocht’ te zijn een plaats zal moeten geven in zijn of haar bestaan. Het ongeboren kind dat zijn stem nog niet kan laten horen en dus moet kunnen vertrouwen op een zorgvuldige opstelling van artsen, wetenschappers en politiek.

Meer onderzoek zal verricht moeten worden om de langetermijneffecten op de psyche van via donors verwekte kinderen te meten. Laten we in de tussentijd de rechten van het ongeboren kind op de eerste plaats zetten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.