Waarom comedyseries geen gebruik meer maken van de lachband

Lachband Met het stoppen van comedyserie The Big Bang Theory komt vermoedelijk een einde aan het tijdperk van de lachband. Kijkers willen niet meer opgelegd krijgen waar ze om moeten lachen.

Sinds het begin van het tv-tijdperk zijn kijkers gewend gelach te horen na een grap. Foto Bettmann

Hollywoodlegende Charles ‘Charley’ Douglass praatte met bijna niemand over zijn ‘laff box’. Als tv-makers halverwege de vorige eeuw het geluid van lachende mensen nodig hadden, kwam hij langs met zijn mysterieuze uitvinding. Het was een kniehoog orgeltje op wieltjes, met onder elke toets een andere soort lach. Hij kwam aan die geluiden door het publiek op te nemen bij (onder meer) mimespeler Marcel Marceau, daar hoorde je immers alleen de lach.

Douglass wist precies welke reactie een grap nodig had. Subtiel gegrinnik, ondeugend gegiechel, lang aanhoudend geschater. Als de laff box niet in gebruik was, hing hij er een slot op. Niemand anders mocht eraan zitten.

Sinds het begin van het tv-tijdperk zijn kijkers, mede dankzij Douglass, gewend gelach te horen na een grap. Maar daar kan nu snel een einde aan komen. In het voorjaar van 2019 stopt The Big Bang Theory, de laatste van de écht grote comedyseries die nog gebruik maakt van de lachband. Het genre is uit de gratie geraakt bij critici, maar ook bij het grote publiek. De tv-comedy is innovatiever geworden en heeft het trucje niet meer nodig.

Ooit dacht men juist dat humor op radio en televisie onmogelijk zónder lach kon. Voor die tijd hadden mensen immers in het theater gezeten, waar ze werden omringd door andere lachers. Dat nabootsen op radio en tv zou het groepsgevoel benadrukken en ervoor zorgen dat de grap niet doodviel. Bovendien was humor minder subtiel dan nu – de lach zat in slapstick en absurde situaties.

Niemand anders had zo’n machine als Douglass. De Tweede Wereldoorlog-veteraan en voormalig CBS-geluidstechnicus had vanaf de jaren 50 twee decennia lang het monopolie op ‘canned laughter’: gelach uit een doosje. Sommige comedyshows werden helemaal zonder publiek opgenomen (zoals The Beverly Hillbillies en de eerste paar seizoenen van Happy Days) zodat Douglass naar eigen inzicht de volledige publieksreactie mocht simuleren. Bij andere (zoals The Mary Tyler Moore Show, Taxi, Cheers en zelfs Frasier) was wel publiek in de studio, maar werd Douglass ingehuurd om achteraf extra lachers toe te voegen, of het juist in te tomen als de studiolach te hard was of te lang doorging. Soms mislukte een take steeds, en dan lachte het publiek de vierde keer natuurlijk niet meer zo hard. Dus moest ook dat rechtgezet worden. Sweetening, heette het proces van achteraf de lach bijwerken.

Tot voor kort was dat dé methode. Jaren 80- en 90-sitcoms als The Cosby Show, Seinfeld en Friends deden aan sweetening – al was dat al na het tijdperk-Douglass, die in 1980 met pensioen ging en in 2003, op 93-jarige leeftijd, overleed. Ook in Nederland kwam het gelach meestal zo tot stand, zoals bij Zeg ’ns Aaa en Oppassen!!!.

Recyclebaar gelach

Het publiek-geluid van die shows werd bewaard, om later nog eens te kunnen gebruiken. Als je goed oplet, kun je dezelfde kenmerkende lach, een volle ha-ha die wat langer doorgaat dan de rest, gedurende verschillende seizoenen van Friends horen. En een andere, hogere hi-hi, komt terug in veel scènes van How I Met Your Mother – dat vanwege de vele sprongen in de tijd en buitenscènes weer wél volledig met de lachband gedaan werd.

Verzet tegen de lachband is er altijd geweest. Het was een van de redenen dat Douglass liever niet te veel aandacht vestigde op zijn werk. Voor een tv-programma was het een beetje gênant om er (extra) lachers bij te moeten monteren: was het op zichzelf dan niet grappig genoeg? Omdat kijkers zich in de jaren 80 begonnen te ergeren aan de overdreven lachband bij veel series, begon Cheers sommige afleveringen met de mededeling dat er was opgenomen „voor een live publiek”.

Ook makers wilden het liever niet. M*A*S*H, over een veldhospitaal tijdens de Koreaanse Oorlog, werd zonder publiek opgenomen. Bedenker Larry Gelbart wilde er geen gelach bij; beroemd is zijn opmerking dat dezelfde lachgeluiden al zo lang in gebruik waren dat je waarschijnlijk dode mensen hoorde lachen. Maar netwerk CBS was stellig: het móést, want zo werkte het nu eenmaal. Zonder hoorbaar gelach zou geen kijker het herkennen als comedy. Gelbart kreeg wel voor elkaar dat er geen lachband klonk bij operatiescènes, want dat zou ongepast zijn. En in Groot-Brittannië werd M*A*S*H zonder lachband uitgezonden.

De vorm werd sleets

Rond de eeuwwisseling begon er iets te kantelen. De sitcom zat in een crisis. Vrijwel allemaal werden ze opgenomen met een studiopubliek, maar dat had een keerzijde. Je moest opnemen met meerdere camera’s tegelijk, om niet elke scène vier keer te hoeven schieten maar wel in de uitzending te kunnen snijden naar andere standpunten. De camera’s stonden op vaste plekken, om het publiek het zicht niet te belemmeren. En de makers waren gebonden aan een handjevol sets (een huiskamer, een kantooromgeving, etc.) en konden niet zomaar naar buiten voor het verhaal.

De vorm was sleets geworden, alles leek op elkaar.

Vernieuwing kwam er vanuit verschillende hoeken, min of meer tegelijkertijd. Malcolm in the Middle (vanaf 2000) was een comedy zónder lach, in de stijl van een film of dramaserie. Er was geen studiopubliek, dus kon er opeens veel meer qua locaties en camerawerk. Ziekenhuiscomedy Scrubs (vanaf 2001) verkoos flexibiliteit ook boven lachgeluiden, en gebruikte in plaats daarvan vaak een kort muzikaal addendum om een grap te onderstrepen.

Ondertussen had Ricky Gervais voor de BBC het idee opgevat voor The Office (2001): een comedyserie gefilmd alsof het een documentaire was over een doodgewoon kantoor. De vorm van ‘mockumentary’, docu-achtige scenes afgewisseld met hoofdrolspelers die in de camera praten, werd doorgezet met de Amerikaanse remake (vanaf 2005), die weer leidde tot Parks and Recreation (2009). Ook Modern Family (2009), een van de meest succesvolle comedyseries van het afgelopen decennium, gebruikt die technieken.

En dan was er nog The Simpsons: een animatieserie die al sinds 1989 liet zien dat een grap niet hoeft dood te vallen als er daarna geen gelach klinkt. Sterker nog: het is een manier om de grapdichtheid op te kunnen schroeven en subtielere humor te bedrijven.

Lachband op uitsterven

De laatste jaren gaat het snel. Vóór de eeuwwisseling ging de Emmy voor beste comedyserie vrijwel altijd naar een lachband-show. Nu is dat al 13 jaar niet meer zo; Everybody Loves Raymond was in 2005 de laatste. Dit decennium was The Big Bang Theory de enige ‘lachbandcomedy’ die überhaupt genomineerd werd. De prijzen gingen naar lachloze shows als 30 Rock, Modern Family en Veep.

Lees ook: Pasta en eenzaamheid in ‘Master of None’

Streamingdiensten die meer kunnen experimenteren omdat ze geen mainstream-adverteerders hoeven te trekken, versnelden de ontwikkeling. Zoals HBO, met Silicon Valley en Veep. En Netflix, met Unbreakable Kimmy Schmidt en Master of None. Comedy’s die het gevoel bij de kijker versterken dat elke show mét lachband meteen oubollig aanvoelt. We willen grapjes niet meer met een lepeltje gevoerd krijgen, en zelf bepalen waar we om lachen. In Nederland doet het uiterst populaire De Luizenmoeder het ook zonder.

Wat blijft er nog over? CBS, dat The Big Bang Theory in de VS uitzendt, is het meest traditioneel – en eigenlijk nog de enige die vaker wel dan niet voor de lachband kiest. Sitcom Mom, die net zijn zesde seizoen is ingegaan, doet het nog wel aardig. En dit nieuwe tv-seizoen zijn er weer een aantal nieuwe van start gegaan – al verwachten critici er weinig van.

En misschien gaat ook CBS wel overstag: Young Sheldon, de spin-off van The Big Bang Theory, doet het zonder en lijkt daardoor meer op Malcolm in the Middle dan op zijn grote broer.

Waar de ‘laff box’ al die tijd was gebleven, was lange tijd onduidelijk. Tot een verzamelaar uit het zuiden van Californië in 2010 bij een storage auction 650 euro bood voor een opslagruimte waar de eigenaar niet meer van te vinden was. Binnen vond hij een curieus orgeltje en allerlei dozen met cassettes. Er zat ook een boekje bij met de titels van zo’n 20.000 tv-serie-afleveringen, in een keurig handschrift met sierlijke lussen genoteerd. Op de zijkant van een van de dozen stond een naam: Charley Douglass.

    • Peter Zantingh