Opinie

    • Sjoerd de Jong

Is het dossier over misbruik in de kerk nu nog niet uitgeput? Nee, toch niet …

Is de krant anti-paaps? Dat verwijt klonk recent, na een lang stuk van verslaggever Joep Dohmen over misbruik in de katholieke kerk. Op de voorpagina knalde de kop: Ze wisten het wél.

Dat verhaal kwam voor sommige lezers nogal uit de lucht vallen, want was alles over dat misbruik binnen de kerk al niet gezegd? Dit was „opgewarmde kliek”, aldus een journalist in het Nederlands Dagblad (Dohmen reageerde in het ND). Een ander vond: „De feiten zijn niet nieuw en het zijn geen feiten” en sprak zelfs van „ongebreidelde kerkhaat”.

Aanleiding voor dit stuk was een massief rapport over misbruik in de Amerikaanse staat Pennsylvania, dat wereldwijd tot geschokte reacties leidde. Daaruit bleek dat de kerkleiding het misbruik had toegedekt met „een cultuur van overplaatsen en stilzwijgen”. Dohmen, die al acht jaar aan dit dossier werkt, wilde nagaan of dat ook in Nederland een patroon was geweest. Het ging er dus niet om nieuwe feiten te onthullen, maar om een structuur bloot te leggen. Je kunt zo’n reprise overdreven vinden, na alle eerdere stukken, maar dat maakt het nog geen hetze of campagne.

De inhoudelijke kritiek die van verschillende kanten kwam (een Tilburgse hoogleraar, een kerkelijk functionaris, enkele lezers), betrof vooral de manier waarop het onderzoek is aangepakt en gepresenteerd. Onbewezen aantijgingen zouden zijn gebracht als feiten. De commissie-Deetman en de Klachtencommissie die het misbruik onderzochten, de bronnen waarop het stuk was gebaseerd, voerden geen rechtszaken. De laatste deed aanbevelingen aan bisdommen over klachten die „aannemelijk” werden gevonden. Dat is dus geen bewijs in juridische zin, aldus de kritiek.

Dat formalistische verweer is opvallend, want niet alleen NRC maar vrijwel alle Nederlandse media schreven de afgelopen jaren in vergelijkbare bewoordingen over dit onderwerp.

Inderdaad, die commissie was geen rechtbank – maar dat wil nog niet zeggen dat louter sprake was van vermoedens of aantijgingen. Klagers moesten authentiek en geloofwaardig zijn, hun beweringen worden gesteund door aanvullend bewijs. In het stuk van Dohmen worden de oordelen van de Klachtencommissie nauwgezet gevolgd, en dan nog alleen voor zover die onomwonden werden erkend door het betrokken bisdom. Twijfelachtige zaken (zonder aanvullend bewijs of erkenning door het betrokken bisdom) legde hij terzijde.

Dat is een grondige aanpak, al werd die in het stuk wat mij betreft te summier uitgelegd. Dohmen heeft me aan de hand van de bronstukken laten zien hoe hij werkte, en dat is overtuigend en ook voor lezers interessant. Hij doorzocht 1.471 zaken van de Klachtencommissie (en zo’n 850 die vervolgens bij de Compensatiecommissie belandden). Die zijn geanonimiseerd, maar met behulp van eigen bronnen en data-analyse kon hij dwarsverbanden leggen tussen zaken en traceren hoe in opspraak geraakte priesters waren overgeplaatst, en door wie. Dát was wel nieuw.

Natuurlijk blijven kritiek en aanmerkingen altijd mogelijk. Zo hekelden diverse briefschrijvers het ontbreken van het oordeel van de rechtbank Gelderland die in april de vloer aanveegde met de procedure die de Klachtencommissie had gevolgd in twee zaken tegen bisschop Gijsen. Die uitspraak liegt er niet om en had best kort vermeld kunnen worden. Maar, ook niet onbelangrijk: ondanks die procedurele kritiek hield het bisdom – en in dat spoor de krant – inhoudelijk vast aan het oordeel van de Klachtencommissie. Trouwens, de krant heeft die rechterlijke uitspraak ook niet verzwegen. Integendeel, Dohmen wijdde er in april een nieuwsbericht aan (Rechtbank: bisschop oneerlijk behandeld, 19 april).

Dat zijn kanttekeningen, die zeker niet de kritiek rechtvaardigen dat dit stuk op drijfzand berust. Het gaat dus, denk ik, om iets anders, namelijk deels om het relativeren van de uitkomsten van de Klachtencommissie en vooral om de indruk dat de krant campagne voert tegen de katholieke kerk (terwijl, hoor je vaak, de islam wordt ontzien; wat in mijn ogen niet het geval is, getuige de lange reeks stukken over salafisme, radicalisering en terrorisme).

Het laatste is een vraag naar presentatie, proportionaliteit en evenwicht, en die kan zeker gesteld worden – niet zozeer aan het adres van Dohmen als wel aan dat van de krant als geheel. Die zou zulke kritiek kunnen pareren door het onderwerp seksueel misbruik in de breedste zin aan te pakken, met de nodige context en discussie.

Dat gebeurde ook. Opinie & Debat plaatste nuttige reacties op Dohmens stuk die de ervaringen van slachtoffers context gaven en de berichtgeving soms inhoudelijk bekritiseerden. Zo verweet de Tilburgse hoogleraar kerkgeschiedenis Paul van Geest, tevens adviseur van het Vaticaan, de krant een blinde vlek voor alles wat er is verbeterd sinds de schandalen aan het licht kwamen.

Toch ook een kanttekening bij dat laatste stuk, dat in de eerste helft erg inzoomde op Dohmen, wiens naam maar liefst vijf keer viel. Natuurlijk moet een journalist die uitpakt ook weerwerk kunnen krijgen. Maar een verslaggever is geen columnist en ook geen bv binnen NRC Media; wat hij publiceert is, als het goed is, intern gewogen en verschijnt onder verantwoordelijkheid van de hoofdredactie. NRC is er dus op aanspreekbaar, als instituut.

Ik stipuleer dat nu, omdat Dohmen, een scherpe onderzoeksjournalist, al langer het doelwit is van sterk op de man gerichte kritiek. Dat is iets om rekening mee te houden. Achteraf door bij een verhaal te blijven (en fouten te corrigeren). Vooraf door duidelijk te maken hoe een onderzoek is aangepakt en waarom het nu eigenlijk zo wordt gebracht.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong