Recensie

Will stapt in de lift om af te dalen naar straatniveau

Jeugdboek Is 67 seconden van Jason Reynolds poëzie? Een roman in verzen is het, een vorm die we hier nauwelijks kennen, met zinnen die flowen als rap, woorden die van ritme en rijm profiteren om boven het alledaagse uit te stijgen.

Pagina’s uit 67 seconden

Het ziet eruit als poëzie, maar bekijk en beoordeel je Jason Reynolds’ jongerenroman 67 seconden naar die maatstaven, dan voelt dat niet echt eerlijk. Nee, de taal heeft niet de intensiteit van poëzie – er wordt nogal eens iets redundants gezegd, contrasten zijn nogal eens overdreven sterk aangezet, en de taal staat vooral in dienst van de vertelling – maar lijkt zich ook helemaal niet langs die maatstaf te willen laten leggen. Met een literatuuropvatting die subtiliteit huldigt, en maximale kracht uit minimale middelen, kom je hier niet ver.

Een roman in verzen is het, een vorm die we hier nauwelijks kennen, of het moet zijn van de Britse Sarah Crossan (Eén, Nieuwe maan) of de Australiër Steven Herrick (Aan de rivier, De roep van de wolf). In de Engelstalige wereld is het een van de meest gebruikte genres onder schrijvers voor jongvolwassenen: de Amerikaanse auteur Jacqueline Woodson bouwde in die vorm zelfs een oeuvre waarvoor ze dit jaar de hoogste internationale erkenning als jeugdauteur kreeg, de Astrid Lindgren Memorial Award.

Een apart genre is het, in de verteltraditie van spoken word-poëzie, met zinnen die flowen als rap, woorden die van ritme en rijm profiteren om hun inhoud te laten klinken, om boven het alledaagse uit te stijgen. Het is een vorm die evenzeer voortborduurt op de verwerking van de rauwe realiteit van de straat als het onderwerp van 67 seconden. Reynolds verhaal is dat van de tiener Will, die zijn semi-criminele oudere broer verloren heeft na een schietpartij – een verlies dat hij, niet subtiel maar ook zeker niet onpoëtisch, verwoordt als het onverdoofd trekken van een kies: ‘Maar het ergste, / het allerallerergste, // is dat je tong / telkens / in dat nieuwe gat verdwijnt // waar eigenlijk // een tand hoort te zitten // die er nu niet meer zit.’

Zoiets moet leiden tot wraak – wat bij Will wordt aangejaagd door een schuldgevoel ‘omdat ik wakker was,/ omdat ik inademde’ – maar ook door de geldende regels in zijn omgeving, de Regels van de straat: je huilt niet, je snitcht niet en je neemt wraak. Dus Will stapt in de lift om af te dalen naar straatniveau. Die afdaling is door Reynolds vormgegeven als een soort danteske helletocht, waarbij op iedere verdieping een nieuwe dode instapt om met Will te praten, als in Dickens’ Christmas Carol.

Zij proberen Will iets bij te brengen, iets wat hem zijn wraakgevoel kan leren relativeren, natuurlijk omdat in halszaken menselijkheid en regels elkaar nogal eens uitsluiten. Telkens een verdieping lager, telkens een nieuwe liftpassagier, waarbij je al van verre aan ziet komen dat broer Shawn de climax zal vormen – het verhaal krijgt zo iets voorspelbaars, al verdiept en ontwikkelt het zich gaandeweg wel degelijk. Will en zijn omgeving rijzen uit Reynolds spaarzame woorden op als geloofwaardige personages, met zoveel nuance als deze sociale context van vastberadenheid toelaat. 67 seconden sluit niet af met de stevige moraal waarvoor je vreest – en maakt zo dat je je aan deze krachtige jongerenroman toch echt gewonnen geeft.

    • Thomas de Veen