Jeroen Dijsselbloem, hier nog minister van Financiën, leest voor op een school.

Foto Olaf Kraak/ANP

Vier nieuwe lessen voor goed onderwijs

Aanbevelingen Jeroen Dijsselbloem onderzocht tien jaar geleden wat alle onderwijsvernieuwingen teweeg hadden gebracht. Wat ziet hij nu?

Jeroen Dijsselbloem (52) heeft een tussenjaar, zoals dat in scholierentaal heet. Na zijn voorzitterschap van de Eurogroep schreef hij een boek over de eurocrisis en verder doet hij „alleen maar leuke dingen”. Nadenken over het onderwijs bijvoorbeeld. Omdat zijn parlementaire onderzoek naar onderwijsvernieuwingen tien jaar oud is, blikte hij er op een congres van de PO-Raad deze week op terug.

Dat onderzoek sloeg destijds in als een bom. De overheid had haar kerntaak, zorgen voor goed onderwijs, ernstig verwaarloosd, oordeelde zijn commissie. Drie grote onderwijsvernieuwingen – de tweede fase, het studiehuis, het vmbo – waren ingevoerd zonder dat er veel draagvlak was of een helder gedefinieerd probleem. Dat moest voortaan anders, daarover was iedereen het eens.

Gaat het ook anders? „De vlag kan nog niet uit”, zegt Dijsselbloem voorzichtig. „Ik had het onderzoek vijf jaar niet meer ingekeken, maar toen ik het weer las, dacht ik: dit is nog heel bruikbaar.” De relatie tussen politiek, onderwijsorganisaties en scholen „blijft maar moeizaam en conflictueus”, zegt hij. In gesprek met NRC formuleerde hij vier nieuwe aanbevelingen.

Les 1 Durf over het stelsel te praten

„Na ons rapport is onterecht het beeld ontstaan dat we het onderwijs helemaal niet meer moeten vernieuwen, en zeker het stelsel niet. ‘Dat mag niet van Dijsselbloem’, werd de houding in Den Haag – als een soort taboe. Maar dat hebben wij helemaal niet gezegd. We vonden juist dat de overheid haar taak veel serieuzer moet nemen: de kwaliteit van het onderwijs én van het stelsel bewaken. Is dat compleet, samenhangend, kunnen mensen carrière maken? Daarover maak ik me zorgen.

„Neem de kansenongelijkheid. Door ons systeem van relatief vroege selectie worden kinderen op hun twaalfde al voorgesorteerd voor een vervolgopleiding, terwijl sommige kinderen meer tijd nodig hebben om hun leercapaciteiten te ontwikkelingen. Waarom neemt de VO-raad dan niet het initiatief om meer brede, tweejarige brugklassen in te voeren?

„Als kinderen op een te hoog of laag niveau belanden, moet dat gecompenseerd kunnen worden door een soepele doorstroom. Maar daar zijn scholen huiverig voor omdat ze beoordeeld worden op hun slagingspercentages. Diploma A geeft daardoor niet meer altijd toegang tot niveau B. Een diploma is dus niet meer waard wat het zou moeten zijn. Die willekeur ondermijnt het stelsel.”

Les 2 Toets niet minder

„Na ons onderzoek is veel gebeurd om de kwaliteit op te krikken. Het leerlingvolgsysteem werd verplicht, de slagingsnormen werden strenger, de inspectie zag meer toe op zwakke scholen. Maar nu zie je die slinger weer de andere kant opgaan. Toetsen worden afgeschaft, de Cito-toets is minder bepalend. Het bindend studieadvies wordt minder streng. We leggen de lat weer lager.

„Mijn indruk is dat de weerstand tegen toetsen vooral van hoogopgeleide ouders komt. Ze zeggen: is dat nou wel nodig, al dat getoets, mijn kind krijgt er stress van. De politiek gaat daarin mee. Maar de samenleving heeft behoefte aan objectieve informatie. Hoe doet het onderwijs het, een school, een kind? En voor kinderen die met weinig bagage het onderwijs in komen is een objectieve Cito-toets echt belangrijk, dat heeft wetenschappelijk onderzoek zo vaak aangetoond. Door vooroordelen schatten leraren het niveau van niet-westerse kinderen nog te laag in.”

Les 3 Luister niet te snel naar goeroes

„Tien jaar geleden zei ik gekscherend dat het onderwijs dol is op goeroes: liefst uit Amerika, met een boek op hun naam over hoe het moet met de scholen. Ideeën worden snel omarmd, als een ideologie. Maar de onderbouwing is vaak buitengewoon zwak. Opnieuw roep ik op vernieuwingen te baseren op wetenschappelijk onderzoek, zoals in andere maatschappelijke sectoren wél gebeurt.

„Als commissie zeiden we dat de overheid verantwoordelijk is voor kwaliteit en stelsel, en het onderwijs voor de professionaliteit van het vak, voor de pedagogisch-didactische onderwijsmethoden. Het is aan scholen die ruimte dan ook te claimen. „Schoolbesturen zeggen dat ze geen geld hebben voor onderzoek, maar als oud-minister van Financiën betwijfel ik of dat nou de echte oorzaak is. Van de PO-Raad begreep ik dat 0,28 procent van het budget aan onderzoek en ontwikkeling wordt besteed. Dat is echt ontzettend weinig en geeft mij niet veel vertrouwen.”

Les 4 Verhoog de lat

„De natuurlijke tendens in het onderwijs is om de lat sluipenderwijs te verlagen. Soms vanuit het belang van de kinderen, om hen nog een kans te geven. Maar vaker vanuit het belang van de instelling, die wil schermen met mooie slagingspercentages. Het gevolg daarvan is oneigenlijke selectie aan de poort: omdat het niveau niet meer hoog genoeg is, hanteren instellingen eigen, willekeurige toelatingsregels.

„Er is een fantastisch voorbeeld van een school in de Bijlmer, waar al jaren geen enkel kind havo- of vwo-advies kreeg. Dat kwam vooral doordat ze heel slecht scoorden op rekenen. Toen is er een nieuwe rekenmethode gekomen en binnen twee jaar zat de school op het landelijk gemiddelde. Doordat iedereen werd gedwongen zich in de nieuwe methode te verdiepen, sprongen de prestaties omhoog.

„Scholen moeten dus voortdurend investeren in leraren en methoden, anders zakt het niveau in. Ze moeten ook afscheid durven nemen van leraren die het niet in zich hebben. Dat laatste is nu heel moeilijk door het lerarentekort. Het risico bestaat dat we ook hier weer de lat verlagen. Ik vrees dat we over tien jaar weer lezen dat de kwaliteit van het onderwijs is ingezakt.”

    • Mirjam Remie