Hulpverleners en familie hebben een slachtoffer geïdentificeerd bij een hotel in Palu.

Foto EPA

Een week na de tsunami: tijgerbalsem tegen de lijkengeur

Sulawesi

De aardbeving op het Indonesische eiland Sulawesi is een week geleden. Een week van doden vinden en spullen zoeken, van plundering en weinig hulp.

De begraafplaats? Die is daar verderop rechtsaf, de heuvel op. En dan herken je het verder wel aan het bloedspoor op de weg.

De vrouw aan wie we de weg vragen, maakt een sinister grapje. Maar boven op de heuvel – de begraafplaats biedt uitzicht over de stad Palu – ligt inderdaad bloed. Vrijwilligers slepen de doden uit een vrachtwagen het massagraf in. Oud bruin bloed sijpelt uit hun lijkenzakken.

Sulawesi heeft een week van ravage, chaos en verdriet achter de rug. Er zijn 1.571 doden geteld, 2.549 zwaargewonden en meer dan 70.000 Indonesiërs zijn hun huis kwijt. Al is dit soort precisie ook maar een poging van de nationale rampendienst om orde te scheppen in een verder ordeloze toestand. Notities uit een rampgebied.

Maandag - Ontbijt in de tuin

De gewonden liggen buiten, in een legertent of gewoon in de schaduw onder de bomen. Uit angst voor naschokken durft niemand binnen te blijven. Het ziekenhuis is ook flink beschadigd door de aardbeving, overal liggen tegels in stukken. Versuft liggen de zwaargewonden in bed, familie hangt lusteloos op de grond ernaast.

Na ons bezoek aan het ziekenhuis kunnen we niet meer naar het hotel rijden waar veel buitenlandse journalisten verblijven. Te weinig benzine, het probleem dat iedereen in Palu heeft. We mogen bij een aardige familie in de tuin logeren en proberen wat te slapen onder een groot tentzeil. Af en toe schudt de grond.

’s Ochtends begint een tentgenote te huilen. Ze krijgt net een berichtje op haar telefoon binnen dat haar buurvrouw is gevonden, ze is overleden.

In de tuin maken de vrouwen ontbijt klaar. Noedels, rijst en gebakken bananen. Onderling grappen ze: „Banaan à la tsunami.”

Inwoners van Sulawesi protesteren tegen het uitblijven van hulp Foto’s APAFP
Inwoners van Sulawesi protesteren tegen het uitblijven van hulp.
Foto’s APAFP

Dinsdag - Barbiepoppen

Jepri stopt net een paar barbiepoppen in de opbergruimte van zijn scooter. Hij heeft ze gevonden in een huis, of wat daar nog van over is, aan het strand van Palu. Hij komt uit een dorp verderop en was benieuwd naar de schade hier. Jepri is „geschokt”, zegt hij. Scooters zijn om bomen heen gevouwen, bomen en auto’s liggen totaal vernield tegen elkaar aan. De kracht van het water moet gigantisch zijn geweest.

Maar waarom pakt hij zomaar spullen die van een ander zijn? Jepri haalt zijn schouders op, hij voelt zich er niet lullig over. „Om mijn dochtertje blij te maken.”

Het jatten van Jepri (zoals veel Indonesiërs heeft hij geen achternaam) past bij de grimmige sfeer in de stad vandaag. Spanningen nemen toe, boos halen mensen de kleine supermarktjes leeg waar Indonesië er duizenden van heeft. Hulp is onderweg, klinkt het al dagen, maar daar merken de inwoners niks van. President Widodo heeft gezegd dat internationale hulp welkom is – maar wel alleen „geselecteerde hulp”.

Een paar honderd meter verderop zoekt Adehana Laratu naar haar moeder die nog onder het puin moet liggen. Ze heeft gereconstrueerd waar dat ongeveer moet zijn. „Die zwarte auto staat normaal dáár geparkeerd in de buurt, dus zou mijn moeder ook ongeveer zo ver opgeschoven moeten zijn.” Ze wijst naar een hoop schroot die bijna niet meer als auto te herkennen valt.

Natuurlijk is Laratu verdrietig, maar ze gelooft dat Allah haar moeder beschermt. En ze voelt ook dankbaarheid, omdat ze van allerlei mensen uit haar omgeving steun krijgt. „Collega’s die ik zelfs nog nooit in het echt heb gezien, storten zomaar geld op mijn rekening. Ik heb ze het nummer niet eens gegeven.”

In een huis dat nog half overeind staat, even verderop, steekt een stuk been van één van de buren onder het puin vandaan. Maar ze hebben geen graafmachine om de zware brokstukken weg te krijgen.

Woensdag - Vrijwilliger van Bali

Klaarmaken! De vrijwilligers op de begraafplaats horen een vrachtwagen de heuvel op rijden. Handschoenen gaan aan, mondkapjes voor. Lucia Widianingsi is speciaal van het eiland Bali naar Palu gekomen om te helpen bij de ramp. Ze sjouwt fanatiek de zakken met lichamen de grote kuil in die voor deze gelegenheid is gegraven. „Ik heb geen geld om te geven, maar zo kan ik tenminste íets voor de slachtoffers betekenen.”

Als Lucia net weer een ronde van tien lichamen achter de rug heeft, krijgt ze het te kwaad. Ze bidt voor de mensen die ze het graf indraagt, vertelt ze. „En ik moet aan mijn ouders denken, die zijn allebei ongeveer zeven jaar geleden overleden.”

Lucia Widianingsi is vrijwilliger: „Ik heb geen geld om te geven, maar zo kan ik tenminste íets voor de slachtoffers betekenen.”. Foto Annemarie Kas

Volgens Firman, die namens het leger de begrafenissen coördineert, passen er duizend mensen in het graf, tot nu toe zijn het er 345. De doden kunnen er in drie lagen op elkaar worden gestapeld. Hij geeft ons een lik tijgerbalsem om onder onze neus te smeren, zodat de geur van de dood wat minder penetrant is. De ziekenhuismaskertjes die iedereen draagt, helpen maar een beetje.

In het gras naast de grote kuil liggen wat identiteitsbewijzen die de doden bij zich droegen. Voor als nabestaanden komen kijken of hun familie hier misschien ligt. Maar lang niet alle doden die hier begraven worden, zijn geïdentificeerd.

Donderdag - Geen schone onderbroek

Een half uurtje rijden ten zuiden van Palu staat Hayati aan de kant van de weg te wachten op haar man. Ze heeft net wat emmers met huisraad uit haar huis gehaald. Lepels en borden met modder eraan, een tube tandpasta, wat pannen. Haar man probeert nog wat andere spullen in te pakken, ze logeren bij haar tante een paar kilometer verderop.

Haar dochtertje wilde al dagenlang graag een schone onderbroek aan, vertelt Hayati, maar ja, die hadden ze natuurlijk niet. „Ik heb gezegd dat ze maar in een sarong moet lopen, we kunnen even niks anders.” Gisteren durfde ze voor het eerst terug te gaan om wat kleren op te halen. Maar ze loopt zelf nog steeds in de pyjama waarin ze op de vlucht sloeg.

Hun dorp Langaleso is één grote berg puin. Huizen zijn niet meer van elkaar te onderscheiden. Modderstromen hebben het grootste deel verwoest van wat ooit muren of inboedel was. Hier moeten ook mensen door de aarde zijn opgeslokt. Een man uit de buurt klimt over de daken van golfplaat. Hij tilt een stuk dak op: zou hier misschien zijn brommer liggen?

Hayati probeert nog wat huisraad te redden. Foto Annemarie Kas

Er staat één grote CAT-graafmachine in Langaleso, maar die gebruikt niemand. Een groepje militairen hangt maar wat onder een palmboom. Waar moet je beginnen, als de chaos zó allesomvattend is? Ze stralen gelatenheid uit – hier valt weinig meer aan te redden.

Langs de weg is de teleurstelling van de Indonesiërs in hun overheid terug te zien. Zelf geknutselde spandoeken vragen om hulp en aandacht. „Eén liter van uw rijst is veel waard.” „Gouverneur, wij hebben hulp nodig!” Op een huis staat met graffiti gespoten: „Regering, heb oog voor ons.”

Intussen komt Palu, ondanks het gebrek aan hulp, langzaam weer een beetje tot leven. Vanmorgen zijn tientallen monteurs van het nationale elektriciteitsnetwerk uitgerukt, dus de stroom werkt hier en daar weer. Bij een restaurantje stopt een vrouw verbaasd als ze ziet dat uitbaatster Tardi nasi verkoopt. „De markt is weer open, al verkopen ze nog niet zoveel.”

Tardi doet goede zaken, haar nasi vindt gretig aftrek. Ze verkoopt ook water, dat heeft ze van de buren overgekocht die op de vlucht zijn geslagen. Zelf heeft ze familie in Manado wonen, een stad in het noorden van Sulawesi. Die vroeg haar ook al of ze niet beter naar hen kon komen. „Maar Manado ligt aan de open zee. Ik ben banger voor een tsunami dan voor een aardbeving, dus ik blijf toch liever hier.” Haar restaurantje in Palu ligt niet in de buurt van het strand.

Vrijdag - Twee engelen

Dian Andriana (38) heeft de hele week nog niet gehuild. „Ik ben de oudste van vijf kinderen thuis, ik moet sterk zijn.” Vorige week kwamen ze met de hele familie uit Makassar naar Palu voor de bruiloft van haar neefje. Ze konden niet eens met iedereen een kamer in hetzelfde hotel krijgen, zo druk was het in de stad. Er was ook een jaarlijks festival op het strand.

Andriana ging met haar gezin en haar ouders naar het Roa Roa Hotel, ze hadden kamers naast elkaar. Haar man en ouders werden bedolven onder het puin. Zij ook, maar het lukte haar om eronder vandaan te komen. Onder haar hoofddoek zie je het oude bloed nog een beetje zitten. „Twee engelen kwamen langs en hebben me geholpen.” Ook haar dochtertje (3) overleefde.

Het lichaam van haar man is vrij snel onder het puin vandaan gehaald, die lag bij haar in de buurt. Maar pas vanmorgen hebben de reddingswerkers haar moeder gevonden. De lijkenzak ligt voor haar op de grond. „Ik wist dat vrijdag een mooie dag was om haar te vinden.” Vrijdag is voor moslims de bijzonderste dag van de week, veel mensen zullen voor haar bidden, denkt ze. Nu mist ze alleen haar vader nog.

De internationale hulp komt langzaam maar zeker op gang. In het coördinatiecentrum, een grote legertent, hangen posters met telefoonnummers en lijsten van welke organisaties allemaal meedoen. Gisteren zijn er 790 tenten van Save the Children aangekomen, vandaag komt een waterzuiveringssysteem van Oxfam aan, dat tweeduizend liter water per uur kan reinigen.

Bij het Roa Roa hotel staat het leven weer even stil als de reddingswerkers roepen dat ze een man hebben gevonden. Ze komen met een zwarte zak aanlopen. Een van hen loopt de kenmerken van het gevonden slachtoffer na met het groepje nabestaanden dat hier nog steeds wacht. Twee van Andriana’s tantes beginnen te huilen, het is inderdaad hun broer. Maar zij huilt niet. Ze moet sterk zijn.

De tantes van Dian Andriana. Foto Annemarie Kas

    • Annemarie Kas