Recensie

Shaun Tan schrijft sprookjes die bedrieglijk helder zijn

Jeugdboek Verrassend, bizar, sprookjesachtig en moralistisch op een snel vervliegende, ontregelende manier – dat zijn de vijfentwintig geïllustreerde verhalen in Verhalen uit de binnenstad van de fabelachtige Australische illustrator en schrijver Shaun Tan (1974).

Illustratie uit Verhalen uit de binnenstad

De beren zijn boos. De mensen gaan enkel uit van hun eigen wetten en systemen en ze erkennen de Berenwet niet, klagen ze. Bestaat er niet zoiets als de Berenwet, oh nee? De beren komen met advocaten, en daar blijkt-ie op te duiken, die wet: ‘Ja hoor, daar stond het, glashelder, overal waar we nooit de moeite hadden genomen om te kijken: op de staartvinnen van beekforellen, onder boomschors, in de rimpelige bedding van rivieren, op de vleugelschubben van nacht- en dagvlinders, in de golvende kustlijn van hele continenten.’ Het loopt volledig uit de hand – de mensen besluiten dan maar de beren dood te schieten. ‘Allemaal volstrekt legaal’.

Verrassend, bizar, sprookjesachtig en moralistisch op een snel vervliegende, ontregelende manier – dit is één van de vijfentwintig geïllustreerde verhalen in Verhalen uit de binnenstad van de fabelachtige Australische illustrator en schrijver Shaun Tan (1974). Zijn werk wordt om niet helemaal overtuigende redenen tot de jeugdliteratuur gerekend, misschien omdat prentenboeken nu eenmaal vaak tot de kinderliteratuur gerekend worden, misschien vanwege het sprookjesachtige ervan, of omdat het een luciditeit heeft die kinderlijk aandoet. Maar helderheid is bij Tan bedrieglijk, het is zijn manier om te ontregelen, te vervreemden. Zie waarmee het boek opent: met een beeld van twee herten in een donker bos, nota bene naast een venster dat uitkijkt op de wolkenkrabbers van een miljoenenstad.

De rode draad die je in deze verhalenbundel kunt volgen is dat contrast: dieren in een grote stad. Er is een verhaal waarin de secretaresse ontdekt dat de directieleden in kikkers zijn veranderd, verhalen waarin ontelbaar veel prachtige vlinders en reusachtige slakken in de stad opduiken, één over een monsterlijke haai die opgevist is en geflenst wordt, er is een soort economische beschouwing over duiven. Zo orkestreert Tan botsingen tussen mens en dier, zonder er overigens een duidelijk of al te ferm punt mee te willen maken. Vreedzame samenkomsten zijn er bovendien net zo goed.

Tan maakte eerder vooral boeken waarin het zwaartepunt op zijn semi-absurdistische illustraties lag; ditmaal is de tekst minstens zo virtuoos en eigenzinnig, en al even rijk aan beelden. Je leest geen bladzijde zonder een opmerkelijke zin – door Eva Gerlach voorbeeldig, want uiterst welluidend vertaald. Die woordenweelde werkt mee aan dat wat alles in dit boek overheerst: de sfeer, een combinatie van dromerigheid en absurdisme. Wat de verhalen precies betekenen en wat Tan ermee wil ‘zeggen’, blijft ongrijpbaar – de moraal is alweer vervlogen voordat je hem kunt vastpinnen, en dat is een van de grote, bij uitstek literaire kwaliteiten van dit boek. Verhalen uit de binnenstad sluit af met een verhaal waarin na 24 dieren de mens aan de beurt komt. ‘Waarom zo wreed en onbewogen, zo zelfzuchtig en ieder voor zich, zo alleen op deze hoge steenmassa?’ preekt Tan dan, waarmee hij die gekoesterde ambivalentie juist lijkt te willen wegnemen – dan is hij duidelijk anti-mens en pro-dier. Het doet een beetje afbreuk, maar dat hij in al het voorgaande zó zwart-wit niet eerder geweest is, weegt uiteindelijk zwaarder.

    • Thomas de Veen