Recensie

Opstanden voor herstel van de orde

Voor Marx was het de klassenstrijd, voor Hitler de rassenstrijd en voor Nelleke Noordervliet is het de opstand. ‘Opstand is de motor van de geschiedenis’, schrijft Noordervliet (1945) in het begin van Door met de strijd. Nederland en opstand, het essay van de Maand van de Geschiedenis. En de motor van de geschiedenis wordt draaiend gehouden door jongeren, zo stelt ze ook vast aan de hand van binnen- en buitenlandse opstandelingen als Mohammad Hatta, Maria Aletta Hulshoff en Régis Debray.

In Door met de strijd maakt Noordervliet een grillige tocht langs opstanden op Nederlands en soms ook buitenlands grondgebied, van die van de Bataven tegen de Romeinen onder leiding van Julius – niet Claudius! zo legt ze uit – Civilis via het begin van de Tachtigjarige Oorlog tot de opstanden in Parijs en Praag waarvan ze in 1968 zelf getuige was. Ook de afscheiding van België van het Koninkrijk der Nederlanden in 1830 en de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië in 1945 komen aan bod. Soms vermengt ze beschrijvingen van de opstanden met persoonlijke ervaringen. Zo laat ze weten dat ze op haar katholieke school een ander beeld van de opstand tegen Spanje onder leiding van Willem van Oranje kreeg dan leerlingen op een protestantse school.

Rode draad in het essay is De mens in opstand, het essay van Albert Camus uit 1951 over onder meer de Franse en Russische Revolutie die beide ontspoorden en eindigden in orgieën van geweld. Behalve over de kwestie of een ‘goede’ opstand alle middelen rechtvaardigt (niet, natuurlijk), buigt Noordervliet zich ook over de vraag of ‘we’ ons moeten schamen voor de duistere kanten van de Nederlandse geschiedenis, zoals de slavenhandel. Nee, is haar duidelijke antwoord, want ‘daderschap en slachtofferschap zijn niet erfelijk’. Maar dit betekent niet dat racisme en discriminatie die voortkomen uit het ‘foute’ verleden, ‘niet moeten worden gesignaleerd en tegengegaan’, zo voegt ze hieraan toe.

Nadat Noordervliet de opstanden op Nederlands grondgebied op een rijtje heeft gezet, concludeert ze dat Nederlandse revoltes meestal niet in het teken staan van vernieuwing maar juist van herstel: ‘In 69 het herstel van het goede oude bondgenootschap tussen Bataven en Romeinen, in 1568 het herstel van privileges van de Staten-Generaal, in 1787 het herstel van de vaderlandse republikeinse waarden, in 1813 herstel van Oranje’.

Ook de leiders van de opstand in het begin van de 21ste eeuw, eerst Fortuyn en nu Wilders en Baudet, maken ‘de indruk van nostalgische conservatieven’. Noordervliets eigen opstand, van de jongeren in de jaren zestig tegen het ‘establishment’ , was bij uitzondering wél gericht op vernieuwing en kende een ‘nostalgie naar de toekomst’. Maar nu voelen veel jongeren zich aangetrokken tot rechts en zijn ze weer behept met ‘nostalgie naar het verleden', zo stelt ze tenslotte somber en enigszins zelfgenoegzaam vast.

    • Bernard Hulsman