Onder een parasol of eucalyptus kun je lelijk verbranden

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week vraagt hij zich af hoe gevaarlijk de blauwe lucht is.

Uit onderzoek blijkt dat de behoedzame burger die op een overdekte veranda of in de dichte schaduw van een forse eucalyptus een uiltje knapt daarbij toch lelijk kan verbranden. Foto Robin Utrecht/ANP

Slip, slop, slap. Slip, slop, slap. Zo zou een boekje van W.G. van der Hulst kunnen beginnen. Slip, slop, slap – en dan met mooie plaatjes van Tjeerd Bottema.

Maar het zijn de mnemonische adviezen die de Australiër ontvangt zodra de lokale lente aanbreekt – dus nu. Ze werden in 1981 bedacht en moesten de Australiër helpen de zomerperiode zoveel mogelijk heelhuids – dat is: zonder ernstige verbranding – door te komen. Trek een hemd aan, smeer je in met zonnebrandcrème en zet een hoed op. Slip, slop, slap.

Australiërs hebben ontzag voor de zon. Nergens komt zoveel huidkanker voor als in Australië en men is er doordrongen van het besef dat de ultraviolette straling van de zon de voornaamste boosdoener is. Toen in 1984 het gat in de ozonlaag boven Antarctica werd ontdekt, ontstond een felle angst dat dit zich tot boven Australië zou uitbreiden. De ozonlaag in de stratosfeer houdt veel uv-straling tegen, waaronder het gevaarlijke uv-b.

Het is goed afgelopen met het ozongat, maar de vrees voor zon en zonnebrand is gebleven. Het werd duidelijk dat het ‘ongevaarlijke’ uv-a (altijd alleen in verband gebracht met huidveroudering en verrimpeling) minder ongevaarlijk is dan het leek en dat het ontstaan van melanomen, de kwaadaardigste vormen van huidkanker, wel degelijk ook samenhangt met blootstelling aan uv. Tot ver in de jaren negentig is daaraan getwijfeld.

Adviezen

De Nederlandse dagbladen komen meestal in juni met hun slipslopslapadviezen, kort na de eerste stranddag. Dit jaar loog het er niet om. Je moest niet gewoon smeren met antizonnezalf, kon je lezen, maar dik smeren en om de twee uur opnieuw, óók onder het hemd als dat maar een dun hemd was. Beter was het om heel zware kleren aan te trekken. Het beste was om tussen twaalf en drie maar helemaal uit de zon te blijven.

Interessant, de constatering dat dunne kleren je niet tegen verbranding beschermen. Au fond ook logisch: als er licht doorheenschijnt, komt er natuurlijk ook uv doorheen. Voor parasols geldt iets dergelijks, er zijn parasols, zelfs heel grote, waaronder je toch verbrandt. Er is goede en slechte parasolschaduw. Dat hoeft niet per se aan het parasoldoek te liggen, het kan ook komen van diffuus uv dat vanuit de omgeving onder de parasol dringt. Wie vanonder zijn parasol een groot stuk van de hemel ziet, kan ook daarvan een flinke bijdrage verwachten.

Want het blijkt dat er tussen het blauw van de blauwe lucht ook veel uv zit. Wie zich nog weet te herinneren waarom de onbewolkte hemel überhaupt blauw is, had dat ook zelf kunnen bedenken. Het zit hem in de verstrooiing van het zonlicht door de moleculen stikstof en zuurstof in de atmosfeer. Zonlicht dat door de atmosfeer reist, kan worden geabsorbeerd (waarbij het als zichtbaar licht verloren gaat) maar ook worden verstrooid. Verstrooiing is een interactie tussen licht en luchtmoleculen zonder energieverlies, waarbij het licht een willekeurige koersverandering krijgt. Lord Rayleigh heeft rond 1870 vastgesteld dat de verstrooiing het hevigst is voor licht (en andere elektromagnetische straling) van korte golflengte. Om het precies te zeggen: de kans op verstrooiing is omgekeerd evenredig met de vierde macht van de golflengte. En van de zichtbare straling die de zon uitzendt hebben blauw en paars (violet) de kleinste golflengte. Daarom is de kans zo groot dat je blauw te zien krijg als je voldoende ver naast de zon kijkt. Het paars komt niet zo uit de verf omdat het menselijk oog niet erg gevoelig is voor paars licht. Maar het is er wel.

Wat er óók is, is de ultraviolette straling. Die heeft een nog weer kortere golflengte dan het zichtbare violet. Er is zelfs zoveel ultraviolet dat je kunt zeggen, zoals de WHO ook doet, dat de badgast op een zonnige dag ongeveer de helft van zijn uv-straling ontvangt van de blauwe lucht en de witte wolken (waar het uv zonder veel verlies doorheen dringt). Het is goed te meten, er hoeft niet aan getwijfeld te worden.

Weerkaatsing uv

Het is ook min of meer zichtbaar te maken. De Finnen Lindfors en Ylianttila deden dat in september 2016 in het Bulletin of the American Meteorological Society. Ze fotografeerden luchten en landschappen met een camera die gevoelig was voor uv-straling en legden de opnamen naast foto’s die in gewoon zichtbaar licht waren gemaakt. In de uv-opnamen ontbraken nagenoeg alle wolken en alle schaduwen.

Het gegeven dat er veel uv van de blauwe lucht en de witte wolken kan komen, en dat de omgeving veel uv kan weerkaatsen (sneeuw vooral, maar ook wit strandzand) maakt het lastig een eenduidig oordeel over de kwaliteit van schaduw te geven. Toch is dat precies waarnaar diverse Australische onderzoekers op zoek zijn. De Europeaan leest hun publicaties (diverse in het Journal of Photochemistry and Photobiology) met een zekere ontroering. In 2000 is de kwaliteit van boomschaduw onderzocht, in 2003 verschoof de aandacht naar de schaduw van parasols, veranda’s en overdekte traverses. Het staat nu vast dat de behoedzame burger die op een overdekte veranda of in de dichte schaduw van een forse eucalyptus een uiltje knapt daarbij toch lelijk kan verbranden.

    • Karel Knip