Foto Bram Petraeus

Kom je uit Presikhaaf én heb je een migrantenafkomst, ‘dan sta je 1-0 achter’

Terug naar Presikhaaf In Arnhem werden vorige week terreurverdachten gearresteerd. De wijk Presikhaaf is beslist geen terreurwijk, zeggen bewoners. Maar wat is het dan wél voor wijk?

Adem Yildirim drinkt na zijn werkdag rustig een glas Turkse thee op het terras van sportcafé Kral in de Arnhemse wijk Presikhaaf. Plotseling snellen grote BMW’s voorbij. De bestuurders zijn in het zwart gekleed, sommigen met bivakmuts. Een luide knal. Honderd meter verderop valt de antiterreureenheid een rijtjeswoning binnen. Agenten gooien rookbommen naar binnen. De 18-jarige Amir B. wordt meegenomen, zijn moeder, die net een boodschap deed, komt in paniek aanrennen. Buurtbewoners kijken vanaf het smalle stoepje toe. Yildirim: „Het kwam ineens wel heel dichtbij.”

Vorige week donderdag arresteerde de politie zeven mannen, een aantal van hen in Arnhem. Ze worden verdacht van het voorbereiden van een grote terroristische aanslag in Nederland. De mannen waren, volgens het Openbaar Ministerie (OM), van plan met bomvesten en kalasjnikovs een aanslag te plegen op een groot evenement, om welk evenement het ging heeft het OM niet gemeld.

Bij het doorzoeken van woningen vond de politie grote hoeveelheden grondstoffen voor explosieven, materialen voor het maken van bomvesten en honderd kilo kunstmest, mogelijk voor het maken van een autobom. De zeven mannen, tussen de 18 en 34 jaar, werden opgepakt in Arnhem, Huissen, Rotterdam en Weert.

Zes van hen zijn opgegroeid in Arnhem, drie daarvan in de wijk Presikhaaf. Daar wordt sinds 2014 al een groepje radicale moslims in de gaten gehouden door de politie, nadat vrienden vertrokken naar Syrië. Het vermoeden is dat de achterblijvers zullen volgen. Drie doen een uitreispoging maar worden tijdig gestopt. Vier van hen zijn nu opnieuw opgepakt. De burgemeester van Arnhem, Ahmed Marcouch, zei later dat de gemeente in totaal een groep van 25 radicale moslims in de gaten houdt, de aangehouden mannen behoren ook tot die groep.

Eind 2014 publiceerde NRC een schets van een jihadistisch netwerk in Arnhem: Al-Qaeda in Arnhem

Adem Yildirim (38) en zijn broer Hayrullah (36) – „Iedereen noemt me Harry” – kunnen er nog steeds niet over uit. Ze zitten nu ín het café op de bank. In de vensterbank staan waterpijpen, achter in de zaak zitten mannen te roken en te kaarten. „In de lokale media noemden ze Arnhem zelfs een jihadstad, maar dat is helemaal niet waar”, zegt Hayrullah Yildirim.

Ze kennen een paar van die jongens. Drie van de gearresteerde mannen woonden (tot voor kort) in de wijk Presikhaaf: Hardi N., Morad M. en Amir B. Ook de halfbroers van Morad die een aantal jaar geleden uitreisden naar Syrië en waarvan eentje inmiddels overleden is, kwamen uit de wijk. Is Presikhaaf een terreurwijk? Hayrullah Yildirim: „Dit is absoluut geen Molenbeek.”

Maar wat is Presikhaaf dan wél voor een wijk?

Winkelcentrum

Presikhaaf is een jarenzestigwijk. Laagbouwwoningen en portiekflats. Eind jaren zestig kwam er een park bij. Er werd een treinstation gebouwd én er werd, als een van de eerste in Nederland, in 1965 een winkelcentrum geopend. Het was toen een frisse, moderne nieuwbouwwijk.

Het was ook een ‘witte’ wijk, herinnert Erma Jansen (59) zich. Ze woont er sinds 1972 en was toen 13. Ze woonde er met haar ouders (die jong overleden), broertjes en zusjes. Twee migranten waren er toen: een Surinaams echtpaar en een Pakistaans gezin. Later zag Jansen haar buren veranderen. Nederlanders trokken weg. Er kwamen Joegoslaven en Kroaten voor in de plaats, zegt ze. Jonge jongens. Kwaaie jongens. „Ze jatten benzine uit auto’s door met een hevelslangetje de tank leeg te halen.” Toen kwamen de Turken, Marokkanen en Surinamers. Later Somaliërs. En nu Syriërs.

De wijk verloederde, maar kreeg in de afgelopen jaren ook een opknapbeurt: oude flats werden gesloopt en eengezinswoningen werden van buiten gerenoveerd met een goedkope coating met baksteenprint, zodat het er ook netjes uitziet. „We kregen ook driedubbel glas en zonnepanelen”, vertelt Jansen. De huizen zijn duurzamer, maar bewoners kunnen niet meer zelf de verwarming bijstellen, dat wordt centraal geregeld. Jansen: „Eerst zaten we met mutsen en wanten aan. Nadat we erover hadden geklaagd zaten we in bikini. Het blijft behelpen.”

De meeste Presikhafers hebben het niet breed, het gemiddelde inkomen ligt iets boven het sociaal minimum, veel buurtbewoners leven van een uitkering, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Overdag zijn veel mensen thuis. Als je een BMW ziet rondrijden, hebben ze een hennepkwekerijtje, zeggen buurtbewoners met een knipoog.

Tweederde van de bewoners heeft nu een migratieachtergrond. Hun wortels liggen in Marokko en Turkije, maar ook in Somalië, Bosnië, Irak, Pakistan en Polen. In het rijtje van Jansen woont één ander Nederlands gezin.

Jansen heeft nooit overwogen te verhuizen zoals veel andere witte Nederlanders. „Ik kan met iedereen door de bocht.” Soms was het wel gek om als autochtone Nederlander de minderheid te zijn. Tijdens het Suikerfeest op de basisschool waren de islamitische kinderen vrij. Jansens dochter mocht dan spelletjes meenemen. Er werd geen les gegeven aan die twee of drie kinderen die wél kwamen.

Bewoners spreken warm over hun wijk: de mix van een grote stad, de geborgenheid van een dorp, zo noemen ze het. Die baaierd aan afkomsten creëert een evenwicht; niemand is in de meerderheid. Vaak hoor je er: wie in Presikhaaf woont, wil er niet meer weg. En wie de wijk verlaat, komt later weer terug, volgens Adem Yildirim.

De meerderheid van de bewoners van Presikhaaf is moslim en dat zie je terug op straat. Veel vrouwen met een hoofddoek. De jongeren lopen in spijkerbroek en op sportschoenen. Als een leeftijdgenoot een djellaba draagt na schooltijd, kijkt niemand op.

Privékwestie

Geloof is een privékwestie tussen jou en god, vinden de jongeren in Presikhaaf. De een gaat elke vrijdag naar de moskee, een ander elke dag, weer een ander nooit. Kim Jansen (22), de dochter van Erma Jansen, ziet dat in haar zeer diverse vriendenkring. Met haar beste vriendin, van Turkse afkomst, ging ze vroeger mee naar de moskee. Nu gaat die vriendin nooit meer. „Ze is totaal verkaasd.” Haar vader gaat nog wel.

Die heersende mores werden doorbroken door de mannen die nu zijn opgepakt. Zij spraken jongeren in Arnhem soms wél aan. „Een van hen ging bij ons zitten, toen we buiten rondhingen”, zegt Emeran (16, die niet met zijn achternaam in de krant wil omdat hij niet terrorisme geassocieerd wil worden). „Het was tijdens de ramadan. Hij zei dat we eigenlijk tijdens de ramadan niet met meisjes moesten gaan chillen. Hij zei dingen die mijn opa ook zegt. Het klopt ook wel. Maar ik dacht: nu even niet hoor.”

Lees ook het achtergrondverhaal: Hoe een clubje uit Arnhem de jihad ging omarmen

Morad M. liep voor de Tweede Kamerverkiezingen vorig jaar rond met de boodschap dat stemmen ‘haram’ was. Want alleen god kon beslissen. Een andere jongen werd bij een broodjeshuis net buiten het centrum van Arnhem aangesproken: „Bid je? Je moet je focussen op het geloof. Kom bij ons, we vormen één groep.”

Ze waren deel van een atypische groep in de wijk. Waar de mannen die nu zijn opgepakt hun ideeën opdeden is niet bekend. Niet in de Marokkaanse moskee Al Fath in de naastgelegen wijk Het Broek, zegt bestuurslid Hassan El Jafoufi. „ Wij willen hier geen gekke ideeën van een of andere sjeik.” Hardi N. kwam regelmatig bidden. Morad M. en zijn broers vroeger ook.

Morad droeg zijn strikte geloofsopvatting al jaren uit. Dat verbaasde niet, met een broer als Abdelkarim die in 2013 naar Syrië was vertrokken en onder gelijkgestemden een heldenstatus had. Morad behoorde vroeger tot de vriendenclub van Kim Jansen. Hij kwam bij haar thuis, net als haar andere vrienden. Hij gaf haar moeder geen hand, maar was voorkomend. „Een nette jongen”, zegt haar moeder. Maar gaandeweg werd hij strenger. Zo had hij op oudejaarsavond een keer een felle discussie met de schoonvader van Erma Jansen over het geloof. „Mijn schoonvader noemde hem toen een gevaarlijk mannetje.” Daarna hebben ze hem niet meer gezien.

De mannen konden met hun strikte islamitische opvattingen in Presikhaaf onopvallender opereren dan in een witte wijk, al hadden ze evengoed in een andere multiculturele wijk kunnen wonen. Maar uiteindelijk voelden ze zich toch te veel bekeken in Arnhem. Niet door de buurtbewoners, maar door de politie. Morad verhuisde naar Vlaardingen, anderen volgden naar de regio Rotterdam, omdat ze daar het gevoel hadden dat ze minder in de gaten werden gehouden.

Oud-profbokser Orhan Delibas heeft een boksschool in Presikhaaf. Hij probeert jongens uit de buurt discipline en zelfvertrouwen bij te brengen. „Je kunt knokken of huilen”, zegt Delibas. „Ik leer ze dat ze moeten knokken.”

Foto Bram Petraeus

Profbokser

Aan de rand van Presikhaaf zit de boksschool van oud-profbokser Orhan Delibas (47) in een kleine gymzaal. Aan de muren hangen posters en vlaggen van verschillende landen. Deze woensdagavond trainen er mannen uit de buurt. Doffe klappen galmen door de ruimte, de ramen beslaan. Drie avonden per week traint Delibas hier jongeren en volwassenen. Eén van de aangehouden terreurverdachten was hier ook vaak te vinden. Hij was zelfs een supertalent, zegt Delibas. „Ongeslagen. Maar hij was ook een jongen uit een gebroken gezin, die zich miskend voelde en nergens echt meer bij hoorde.”

Tien jaar geleden nog zorgden die miskende en opstandige jongeren ervoor dat de buurt negatief in het nieuws kwam toen buschauffeurs weigerden door de wijk te rijden. Jongeren bekogelden hun bussen met stenen. Presikhaaf was officieel een ‘probleemwijk’ geworden. Maar straatoverlast door jongeren is er nu bijna niet meer, zeggen buurtbewoners.

Bureau Beke, een onderzoeksbureau dat gespecialiseerd is in onderzoek naar criminaliteit, onderzocht voor de gemeente Arnhem de achtergrond van geradicaliseerde Arnhemse jongeren, en bestudeerde onder meer 42 dossiers van vooral minderjarigen en jongvolwassenen die „als (mogelijk) geradicaliseerd bekend staan”. Ruim de helft ontving psychische of maatschappelijke hulp en kwam uit een gebroken gezin, waar toezicht vaak ontbrak. Een jongen uit het buurtcentrum die een van de gearresteerde jongens persoonlijk kende, zegt: „Hij was depressief en zocht al langer hulp.”

Aan hun carrière denken

Een groepje Presikhaafse jongeren is na het avondeten op weg naar het jongerencentrum om daar te studeren. Ze zijn allen begin twintig, met ouders uit Somalië, Congo en Ghana, en zijn zeer bereid over hun buurt en zichzelf te vertellen. Ze zijn welbespraakt en slim, studeren rechten, bestuurskunde en media & communicatie in steden buiten Arnhem op hbo en universiteit, maar wonen nog wel in de wijk. Twee meisjes doen de opleiding zorg op het mbo. Ze willen niet met hun naam in de krant: ze kenden een aantal van de jongens die zijn opgepakt en hebben geen zin in gedoe. Maar belangrijker: ze moeten aan hun carrière denken. Kom je uit Presikhaaf én heb je een migrantenafkomst, zeggen ze, „dan sta je 1-0 achter”.

Dat gevoel hebben alle jongeren in de wijk. Voorbeelden genoeg van afwijzende reacties van wit Nederland. „Ik kreeg advies voor vmbo-kader na een havo-citoscore”, zegt er een. Daar kennen ze allemaal voorbeelden van. Maar vaak is het subtieler: een aarzeling om naast je te gaan zitten in de trein, een schrikreactie als een donkere hand voor hulp wordt uitgestoken na een struikelpartij. Een van de jongens: „Mijn moeder zegt nog steeds als ik ’s avonds weg ga: pas op, doe niets geks. Je weet dat jij snel kan worden opgepakt.”

Het is juist op een kwetsbare leeftijd als je erachter komt, dat je anders bent, zeggen de jongeren. „Tot ik naar de middelbare school ging, dacht ik dat Nederland voor zeventig of tachtig procent uit allochtonen bestond”, vertelt een jongen van Somalische afkomst. Pas toen hij naar de middelbare school elders in Arnhem ging, zag hij dat hijzélf de minderheid was. „Ik merkte dat witte jongeren heel anders leven. Hoeveel kleedgeld krijg jij, vroeg een klasgenoot. Kleedgeld, dacht ik, wat is dat?”

Bij de boksacademie komen jongeren die geen geld hebben om schoenen of handschoenen te kopen, vertelt Delibas. „Soms kan zo’n jongen het entreegeld voor een wedstrijd niet betalen.”

Orhan Delibas probeert wankele jongens discipline en zelfvertrouwen bij te brengen. Achtergesteld worden is een realistisch gevoel, zegt de bokstrainer, zelf van Turkse afkomst. „Je kunt knokken of huilen. Ik leer ze dat ze moeten knokken.” Er is ook een andere kant. Delibas ziet jongeren die hun opleiding niet afronden, maar wel kapsones hebben: „Ze willen een baan die goed betaalt, maar ook tot twaalf uur uitslapen. Als het dan niet lukt, aan wie ligt het dan?”

De wetenschap dat ze het minder makkelijk hebben dan witte jongeren is voor de zeven jongeren juist een sterke motivatie. Ze komen minder makkelijk aan een stage of aan werk en daarom werken ze juist harder. Een van de jongens: „Mijn moeder heeft bijstand. Dat wil ik niet voor mijzelf. Het is voor mij reden om er wat van te maken.” Ze hebben één geluk: iedere jongere uit Presikhaaf kan een bijbaan vinden in het ‘magazijn’ van TNT, het nabije distributiecentrum van de post. Ze lachen.

Het gemiddelde inkomen in Presikhaaf ligt rond het sociaal minimum, volgens CBS-cijfers. Veel buurtbewoners leven van een uitkering.

Foto Bram Petraeus

Debat ‘vergiftigd’

De ondernemers in het café herkennen de voorbeelden van de jongeren. „Gekwetst worden is een keuze”, vinden ze. Ze wijzen naar het achterste gedeelte van de zaak, waar mannen kaarten en roken. „Die mannen werken allemaal.” Behalve deze dan, zegt Hayrullah, en grijpt een tienerjongen die net naar buiten loopt in zijn kraag. „Waarom ben je gestopt met je bijbaan?” „Het uurloon was te laag”, mompelt de jongen verschrikt. De mannen op de bank lachen, de jongen snelt naar buiten. „Mijn neefje”, zegt Hayrullah Yildirim.

De jongeren van nu hebben het lastiger dan zijzelf toen zij zo oud waren, denken ze. Na de aanslagen in 2001 op het WTC in New York, liggen moslims onder een vergrootglas. De maatschappij is sindsdien verhard.

Hassan El Jafoufi van de Marokkaanse moskee Al Fath komt binnen en gaat erbij zitten. Hij vindt het politieke debat ‘vergiftigd’. „Iemand als Wilders mag van alles over de profeet roepen onder het mom van vrijheid van meningsuiting. Ze zouden dat moeten verbieden. Waarom zou je kwetsen? Dat is de voedingsbodem voor de denkbeelden van die gasten die net zijn opgepakt.”

Adem Yildirim springt op. Hij herinnert zich het EK van 1988 dat Nederland won. „Weten jullie dat nog? Ik had een dekbedovertrek met het hele Nederlandse elftal erop. Dat sloeg ik om mijn schouders en zo rende ik juichend door de buurt. Dat is nu on-denk-baar.”

En wat vindt de familie van de gearresteerde mannen?

De deur, die vorige week hardhandig werd opengebeukt door de politie, gaat aarzelend open. De moeder van de 18-jarige Amir B. kan haar tranen nauwelijks bedwingen. Zij denkt dat haar zoon uit „onmacht” voor de radicale islam koos. Als hij dat al deed, ze kan het nog steeds niet geloven. „Het is een lieve jongen die bezig was met zijn toekomst! Hij zat op school en had rijles. Hij zag er altijd netjes uit, gel in het haar, zijn kleding moest lekker ruiken.” Het was een gevoelige jongen, zegt ze. Misschien wel te gevoelig. Als puber in de tweede klas van de middelbare school voelde hij zich een tijdlang somber en buitengesloten, zijn vriendjes zaten in een andere klas. Misschien lag daar de kiem voor het radicale geloof? Ze zegt: „Hij moet hoe dan ook zijn gehersenspoeld.”

Correctie (09-10-2018): in een eerdere versie van dit stuk stond café Kral omschreven als shishalounge. Het is een sportcafé. Dit is aangepast.

    • Sheila Kamerman
    • Martin Kuiper