Het ITC van de Universiteit Leiden, dat is gevestigd in een historisch pand aan het Rapenburg.

Foto David van Dam

Hoe een Leidse professor bouwde aan zijn eigen Harvard aan de gracht

Academie en commercie De Universiteit Leiden heeft een internationaal hoog aangeschreven minicampus. Dat International Tax Center werd opgericht, gerund en gefinancierd door hoogleraar Kees van Raad. Nu wil de universiteit ervan af.

De Leidse professor Kees van Raad droomde al jaren van een mini-Harvard aan het Rapenburg in Leiden. Als jongeman had de hoogleraar internationaal belastingrecht in de Verenigde Staten gestudeerd. Van Raad, formeel, besnord, tenger en lang, was gegrepen door de internationale allure van die top-opleidingen, waar studenten in een prachtige omgeving zwaar op de proef worden gesteld, daar ook veel voor betalen, en daarna door internationale bedrijven met open armen worden ontvangen.

Zoiets moest in Nederland ook kunnen, dacht Van Raad. Het bestuur van de Universiteit Leiden liet zich in 1998 overhalen, op voorwaarde dat de universiteit geen financieel risico zou dragen. Dat Van Raad succes zou hebben, geloofde niemand. Ongesubsidieerde opleidingen rendabel maken leek onmogelijk. Van Raad richtte een stichting op. De universiteit zou aan het begin van het jaar het collegegeld innen en dat na het inhouden van wat administratiekosten aan die stichting overmaken. Aan het eind van het jaar zou de universiteit de bul uitreiken. Wat Van Raad in de tussentijd deed met het geld, mocht hij zelf weten, de universiteit zou de kwaliteit van het onderwijs bewaken. Ook de financiële risico’s waren voor hem. Van Raad: „Ze wilden de voordelen van de opleiding hebben zonder de lasten. Ik vond dat geen bezwaar.”

Bijna vijftien jaar lang kon Van Raad – onder de paraplu, maar zonder enig financieel toezicht van de universiteit – bouwen aan zijn Harvard: het International Tax Center Leiden (ITC). Tot hij, in de woorden van een voormalig student, koning van zijn zelfgebouwde koninkrijk was.

Zo ontstond er een uitzonderlijke situatie aan het Rapenburg. Een opleiding met een wereldreputatie van een gerenommeerde universiteit en tegelijk een onemanshow van een „autocratisch ondernemer” zoals Van Raad zichzelf omschrijft. „Het is mijn lust en mijn leven.”

Nu dreigt hij zijn levenswerk kwijt te raken. De universiteit wil van haar „vlaggeschip” af.

Foto David van Dam

Een paleis

Als het ITC-Leiden een koninkrijk is, dan is Rapenburg 65 het paleis. Het 15 meter brede rijksmonument uit 1749 herbergt collegezalen met meer dan manshoge goudomrande spiegels, een monumentale trap met eikenhouten snijwerk, appartementen voor Van Raad, gastdocenten en student-assistenten, een bibliotheek in de acht meter hoge opengewerkte nok van het gebouw. En dan is er ook nog een enorme achtertuin. Allemaal pal naast het Academiegebouw van de universiteit.

Het was wel een inspanning geweest. Eerst had Van Raad een tweede stichting opgericht om Rapenburg 65 van de universiteit te kopen. Daarvoor gebruikte hij zijn eigen spaargeld, zegt hij. Twee jaar later, in 2003, zette hij het monumentale gebouw op zijn eigen naam, alleen zo kon hij voor de restauratie belastingaftrek krijgen. Van Raad, die als jongeman eigenlijk architect had willen worden, leende bij het Restauratiefonds tegen zeer gunstige financiële voorwaarden iets meer dan 4 miljoen euro voor een grondige restauratie en renovatie.

Met dit prachtige onderwijsgebouw hoefde hij zich niet meer te „generen” voor het hoge collegegeld dat studenten betaalden – inmiddels 19.000 euro. Maar volgens Van Raad was er meer nodig om zijn instituut de gewenste klasse te geven. Zijn studenten – 99 procent komt uit het buitenland – moesten niet terechtkomen in de „abominabele” studentenhuisvesting waar Nederlandse studenten genoegen mee nemen. Met zijn tweede stichting kocht Van Raad daarom in 2009 ook het naastgelegen Rapenburg 63, brak een muur door en bouwde daar een collegezaal en negen studentenkamers.

In datzelfde jaar kocht Van Raad zelf nog een studentenhuis op twee minuten lopen van de collegezalen aan het Rapenburg. Na een grondige renovatie kon hij daar nog eens achttien studenten kwijt.

Zo had Van Raad zijn minicampus naar Amerikaans model precies georganiseerd zoals hij het wilde hebben.

Met dezelfde ondernemersgeest waarmee hij de campus heeft opgezet, bouwt Van Raad aan de commerciële activiteiten van het ITC. Met zomercursussen en korte ‘foreign programs’ over de hele wereld haalt hij dit jaar zo’n 360.000 euro op.

Het internationale netwerk van oud-leerlingen dat Van Raad opbouwt is cruciaal voor zowel de opleiding als de extra activiteiten. In het begin doet Van Raad alles zelf, maar gaandeweg organiseren zij de buitenlandse cursussen. Ze geven ook veel van de lessen, vaak tegen niet meer dan een onkostenvergoeding. De eer is voldoende.

Sponsors zijn er ook. Accountantskantoor PwC maakt acht jaar lang 115.000 euro per jaar over. Advocatenkantoor Loyens & Loeff, maakt jaarlijks gemiddeld 15.000 euro over.

De universiteit vindt die commerciële activiteiten ongemakkelijk. Ze maakt tenslotte honderdduizenden euro’s collegegeld per jaar over aan het ITC om academisch onderwijs te geven, niet om allerlei commerciële nevenactiviteiten te ondersteunen. Maar als Van Raad ermee instemt een derde stichting op te richten waar de universiteit de onderwijsvergoeding naar kan overmaken, is de zaak op papier gescheiden. In de praktijk loopt alles door elkaar, en niet alleen bij de academische en commerciële activiteiten. Ook de geldstromen van de opleiding en de privéfinanciën van Van Raad zijn innig verstrengeld.

Van Raad betaalt zichzelf 114.000 euro per jaar als opleidingsdirecteur. Voor de huur van twee gebouwen betaalt bestuurder Van Raad aan huiseigenaar Van Raad nog eens 419.000 euro per jaar. Het gebeurt met instemming van andere bestuursleden van de stichtingen, die laten weten dat zij „weinig hadden toe te voegen aan de uitvoering van het dagelijks bestuur van Kees van Raad”, en uiteindelijk uit de stichtingsbesturen stapten.

Van zelfverrijking is geen sprake, zegt Van Raad. Sterker nog, de stichtingen zijn hem nog 1,2 miljoen euro verschuldigd – geld dat hij voorschoot in verlieslatende jaren, of om in de gebouwen te investeren. Een lening waarover hij een „passende rente” in rekening brengt, „in verband met het risico dat deze nimmer geheel zal worden terugbetaald”.

De universiteit is volgens het eigen bestuursreglement niet alleen verantwoordelijk voor „de rechtmatige en doelmatige aanwending” van geld dat ze van het Rijk krijgt, maar ook van „de overige gelden waarover de universiteit de beschikking heeft”. Maar naar het geld dat ze jaarlijks aan Van Raad overmaken, kijkt het college van bestuur niet om. Volgens het college valt de onderwijsvergoeding niet onder het reglement. De universiteit „concentreerde zich alleen op de kwaliteit […] van de opleiding”.

Makkelijk zou financiële controle door de universiteit overigens niet zijn geweest: goedgekeurde jaarverslagen zijn er niet.

Van Raad zegt hierover: „Hoe ik mijn tent run, is niet hun zaak.”

De opleidingen worden bij visitaties als „excellent” beoordeeld. De Leidse rechtenfaculteit ziet het ITC als een van haar „vlaggeschepen”, een „visitekaartje”. Het ITC bouwt al snel een internationale reputatie op.

Foto David van Dam

Survival

Bij de stapel boeken voor nieuwe studenten zit een verrassing. Een grijs T-shirt met oranje opdruk: „I am desperately trying to survive the […] ITC Leiden.” Presentje van de professor.

Bijna alle studenten zijn buitenlands, voor een aanzienlijk deel uit Zuid-Amerika en Azië. De tekst van het T-shirt is niet overdreven. Het programma is loodzwaar, net als de leeslast, de tentamens notoir lastig. Een „bootcamp”, zo noemt het ITC de opleiding. Onder studenten circuleren verhalen van voorgangers die het allemaal niet meer konden bolwerken, en tussentijds naar hun land van herkomst afreisden. De zwaarte is ook een bron van trots: wie het redt, kan echt wat. Klagen over de studielast doen de studenten dan ook niet, sterker nog, daar komen ze voor.

Wat sommige voormalig studenten niet normaal vinden is de geestelijke druk die Van Raad studenten kan opleggen. Hij wordt door meerdere personen omschreven als een strenge, intimiderende man.

Van Raad voelt zich „vader én moeder” van de studenten. Het gaat soms om kleine dingen. Hij gaat met ze roeien, organiseert fietstochten en andere dagjes uit. En ja, soms moet hij streng zijn. Zo beginnen de lessen om klokslag 08.30 uur. Wie te laat komt, moet wachten tot de eerste pauze, iets wat vooral voor studenten uit Zuid-Amerika een nieuwe ervaring is, zo weet Van Raad inmiddels. Dus worden zij bij de introductiebijeenkomst aan het begin van het jaar daar speciaal voor gewaarschuwd.

Maar de hoogleraar is veel meer dan ‘vader en moeder’. Als hoofd van de toelatingscommissie bepaalt Van Raad wie er bij het ITC mag komen studeren. Als opleidingsdirecteur bepaalt hij de inhoud van de studie. En als enig aangewezen examinator van álle vakken, bepaalt Van Raad wie er met een diploma naar huis gaat.

Dat de huur bij hem hoger is dan voor de meeste andere kamers in Leiden hebben de studenten vaak wel opgemerkt. Maar ze krijgen er netjes gemeubileerde, moderne kamers voor terug, die ook nog elke twee weken worden schoongemaakt. Studenten met te weinig geld kunnen tegen gunstige voorwaarden een lening afsluiten bij een vierde stichting van de hoogleraar.

Van Raad vraagt honderden euro’s per maand te veel voor de kamers, zo valt te constateren op basis van bouwtekeningen in het Leidse gemeentearchief en een rekenprogramma van de Huurcommissie. Een kamer die op grond van een berekening voor iets meer dan 400 euro mag worden verhuurd, kost meer dan 800 euro per maand. Een andere kamer die voor ruim 1.000 euro wordt verhuurd, zou volgens een berekening niet meer dan 430 euro mogen kosten. Het meubilair, de schoonmaak en de kosten voor water en licht kunnen maar een klein deel van dat verschil verklaren. Maar geen van de buitenlandse studenten haalt ooit zijn recht.

Foto David van Dam

Bureaucratisch

Zo bouwt het ITC jarenlang aan zijn reputatie, met instemming van een trotse universiteit. Maar rond 2012 gaat het mis. De inmiddels 72-jarige Van Raad: „De universiteit had moeite met de vrijheid die ik had, en wilde de greep op het gebeuren terugkrijgen.” Voor een pionier als hij, zegt Van Raad, is bij een steeds bureaucratischer universiteit geen ruimte.

Volgens de universiteit werd het contact met het ITC simpelweg aangehaald, omdat ze op zoek was naar een opvolger voor de hoogleraar, die toen immers al 66 was.

Nu blijkt de innige verwevenheid tussen Van Raad en het ITC een probleem. Mensen die alle rollen van de professor kunnen en willen overnemen, zijn niet te vinden.

De universiteit vraagt ook om inzicht in de financiën. Maar ondanks herhaalde verzoeken weigert Van Raad jaarverslagen te overhandigen. Althans, dat zegt de universiteit. Van Raad kan zich die verzoeken niet herinneren.

De onderhandelingen over het ITC slepen zich jarenlang voort. Van Raad wil zijn geesteskind niet overdragen en de universiteit wil eigenlijk niet stoppen, vanwege de schade voor studenten en reputatie. De status quo blijkt onhoudbaar: nu de universiteit zich verdiept in de constructie, kan ze er niet meer onderuit dat ze de aanbestedingswet overtreedt door Van Raad zonder openbaar biedingsproces elk jaar een onderwijsopdracht van tonnen te geven.

In maart 2017 meldt de Universiteit Leiden aan Van Raad dat ze met de opleidingen gaat stoppen. „Een uitzonderlijk besluit”, zo noemt de universiteit het zelf. De hoogleraar stelt de universiteit aansprakelijk voor financiële schade.

De universiteit heeft gedragscodes die bedoeld zijn om een concentratie van financiële en organisatorische macht en de bijbehorende belangenconflicten te voorkomen. Daarnaast zegt de universiteit geen winst met haar onderwijs te willen maken. Ook mag de universiteit zich niet met kamerverhuur aan eigen studenten inlaten.

Volgens de gedragscode integriteit van de universiteit moet elke medewerker voorkomen dat zijn (financiële) privébelangen verstrengeld raken met „de uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden bij de universiteit”. De vraag of de gedragscode geschonden is, beantwoordt de universiteit alleen met de mededeling dat de code vanaf 2016 geldt.

Van Raad stak eigen geld in het ITC, was eigenaar van twee panden die het ITC gebruikte, stelde daarvan zelf de huur vast, bepaalde zijn eigen salaris, verhuurde studenten tegen hoge prijzen kamers, verkocht commerciële cursussen en maakte winst.

Dat de opleiding „zeer verweven” is met en „sterk afhankelijk” is van de hoogleraar, beaamt de universiteit. Maar het college van bestuur keek met een „integrale blik” naar bedoelingen die Van Raad met zijn activiteiten had, en dan was er „geen sprake van tegenstrijdige belangen”.

In de antwoorden schemert de dubbele houding van het College door: het ITC is „een groot succes”, maar tegelijk „een historisch gegroeid verschijnsel, waarvan de universiteit zonder veel spijt afscheid neemt”.

Het afgelopen jaar leek Van Raad een tweede leven te vinden voor het ITC – bij de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Van Raad moet daarvoor wel alsnog de controle afgeven. De Rotterdamse universiteit, vertelt Van Raad, eist een transparantere boekhouding, en het onderbrengen van alle activiteiten in een bv die eigendom is van de universiteit. Het ITC Leiden kan gewoon aan het Rapenburg blijven zitten en zijn naam behouden. Het zou „commercieel onverstandig zijn eraan te sleutelen”.

Nu lijkt deze afspraak te wankelen. Volgens Van Raad heeft de Erasmus Universiteit – nadat het lucht kreeg van mogelijke publiciteit – de onderhandelingen afgeblazen. Onbegrijpelijk vindt hij het. Wat het probleem is, wil het Erasmus niet zeggen.

Reageren of tips? onderzoek@nrc.nl

    • Derk Stokmans