Recensie

Een zomer vol opzwepende pleidooien

Tachtigjarige Oorlog Historicus Anton van der Lem ontkracht in zijn nieuwe boek De Opstand in de Nederlanden 1568-1648 een aantal hardnekkige mythes. Zo stelden de Spanjaarden veel minder ketters terecht dan Willem van Oranje zijn aanhangers deed geloven.

Wandschildering van Eppo Doeve (1907-1981) uit 1943 in het stadskantoor van Naarden foto Tom Loman

Echte mannen van het volk waren het: Sebastiaan Matte was opgeleid als hoedenmaker en Jan Arentz vlocht manden. Toen zij in de zomer van 1566 in respectievelijk West-Vlaanderen en Holland gingen preken over het nieuwe geloof, waren dat dan ook geen abstracte theologische verhandelingen, maar opzwepende pleidooien in een taal die iedereen begreep.

Arentz hield in juli in de openlucht bij Alkmaar de eerste protestantse hagenpreek op Noord-Nederlands grondgebied en begon daarna aan een tournee door de provincie. Matte verzorgde toen al enige maanden voordrachten waarin hij zich keerde tegen de afgoderij van de katholieke kerk. Op 10 augustus trokken twintig van zijn toehoorders in Steenvoorde op naar het nabijgelegen klooster en sloegen daar de beelden kort en klein. Later die week leidden zijn preken ook elders tot religieus vandalisme: de Beeldenstorm was een feit.

In de maanden augustus en september trok het iconoclasme als een hete zomerwind door de zuidelijke en noordelijke Nederlanden. Het optreden van mannen als Matte en Arentz fungeerde als katalysator voor gevoelens van onvrede die al jaren smeulden in de Nederlandse gebiedsdelen van het rijk van de Spaanse koning Filips II. Lokale edelen waren ontevreden over hun bescheiden rol in het landsbestuur, terwijl het gewone volk zuchtte onder de kettervervolgingen die de streng-katholieke Filips had afgekondigd.

In de twee jaar die volgden op de Beeldenstorm, ontwikkelde de situatie zich tot een regelrechte oorlog tussen de opstandige provincies en hun heer. Bij Heiligerlee vond op 23 mei 1568 de eerste veldslag plaats van een strijd die acht decennia zou duren. Toen de wapens in 1648 eindelijk zwegen, had Europa er een nieuwe, onafhankelijke natie bij: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Eeuwenlang was de Tachtigjarige Oorlog hét ijkpunt voor de Nederlandse identiteit, maar tegenwoordig vervult de Tweede Wereldoorlog die rol. De martelaren van Gorcum, haring en wittebrood, op 1 april verloor Alva zijn bril, bij Alkmaar begint de victorie: voor generaties Nederlanders was dit gesneden koek, maar die tijden zijn voorbij. Gelukkig is de vierhonderdvijftigste verjaardag van het begin van de Tachtigjarige Oorlog dit jaar aanleiding voor een nationale bijspijkercursus in de vorm van tentoonstellingen, tv-series en een breed scala aan literatuur.

Wie zijn kennis van de Tachtigjarige Oorlog – of de Opstand, zoals historici liever zeggen – in korte tijd wil opvijzelen, kan terecht bij twee bijzonder fraai uitgegeven boeken. Alleen al voor de tientallen full colour illustraties is het de moeite waard om De Opstand, 1568-1648 van Arnout van Cruyningen en De Opstand in de Nederlanden, 1568-1648 van Anton van der Lem aan te schaffen.

De boeken zijn verschillend van opzet. Van der Lem kiest voor een strikt chronologisch verhaal, terwijl Van Cruyningen na een korte inleiding de Opstand thematisch behandelt. Hij presenteert onder meer hoofdstukken over de belangrijkste Nederlandse edelen, de Spaanse landvoogden en de religieuze component van de oorlog. Het nadeel van deze opzet is dat Van Cruyningen soms in herhaling valt. Omdat Van der Lem schrijft in een toegankelijker stijl, is zijn boek ook om deze reden geschikter als eerste introductie voor de lezer die zijn schoolkennis wil afstoffen. Wie daarna meer informatie zoekt, kan terecht bij het meer encyclopedische werk van Van Cruyningen.

Het boek van Van der Lem is een vernieuwde versie van een uitgave die voor het eerst in 1995 verscheen. De auteur heeft alle hoofdstukken flink onder handen genomen, zodat ze een overzicht bieden van de laatste stand van de wetenschap. De aard van de geschiedschrijving over het conflict is ook flink veranderd, concludeert Van der Lem. De nadruk lag aanvankelijk op de (helden)daden van machtige militairen als Maurits, Frederik Hendrik, Alva en Spinola, ‘alsof de kaart van Nederland een gezelschapsspel is met vlaggetjes in vrolijke kleuren, maar het bloed is vergeten. De laatste decennia is er vooral aandacht voor de keerzijde van de medaille: het leed op het platteland’.

Van der Lem prikt ook een aantal mythen door. Het aantal ketters dat de Spanjaarden in Nederland terechtstelden, is minder groot dan lang werd beweerd. Willem van Oranje sprak in zijn Justificatie uit 1568 van 50.000 slachtoffers, en Hugo de Groot had het zelfs over 100.000 landgenoten die waren gesneuveld voor hun geloof. Het ware aantal volgens het meest recente onderzoek: ongeveer 1.300. Dat was overigens nog steeds een enorm aantal in vergelijking met de rest van Europa, aldus Van der Lem. ‘Zelfs de Spaanse inquisitie had in de eerste eeuwen van haar bestaan maar ongeveer tweehonderd veroordelingen uitgesproken.’

Uit zowel het boek van Van der Lem als dat van Van Cruyningen wordt duidelijk dat de persoonlijkheid van de betrokken hoofdrolspelers een stempel op het verloop van de gebeurtenissen heeft gedrukt. Vooral Filips II gooide met zijn besluiten keer op keer olie op het vuur. Zo was het lokale edelen als prins Willem van Oranje en de graven van Egmont en Horne in de herfst van 1566 al gelukt de Beeldenstorm tot bedaren te brengen, toen de Spaanse koning besloot dat de opstandige Nederlanders alsnog een lesje moest worden geleerd. Door het bloeddorstige optreden van de Spaanse veldheer Alva – deze ‘ijzeren’ hertog was onder meer verantwoordelijk voor de onthoofding van Egmont en Horne – stevenden de Nederlandse gewesten en hun Spaanse vorst onherroepelijk op een totale oorlog af.

Dat die strijd zou eindigen met een onafhankelijke, hervormde Republiek in het noorden en een zuidelijk katholiek gebied onder gezag van de Spaanse koning, stond in 1568 nog allerminst vast. Maar deze verwijdering zette zich al wel in 1579 in, toen de (zuidelijke) Unie van Atrecht en de (noordelijke) Unie van Utrecht ontstonden. Dat het daarna nog zo lang duurde voordat de definitieve scheiding een feit was, lag onder meer aan het sterk wisselend krijgsverloop. Geen van de partijen was geïnteresseerd in vrede op het moment dat er net een overwinning was geboekt. Toen de oorlog met de strijd om koloniën in Oost-Azië ook een internationale component kreeg, was dat voor de in het noorden oppermachtige provincies Holland en Zeeland een extra reden om het conflict aan de gang te houden.

Zeeland, dat de kaapvaart niet wenste op te geven, was zelfs niet aanwezig bij de ondertekening van de Vrede van Münster op 15 mei 1648. Het mocht de vreugde hier ten lande niet drukken. De officiële feestdag in de Republiek was op 5 juni 1648 – op de dag af tachtig jaar nadat met de onthoofding van Egmont en Horne het bloedvergieten was begonnen.

    • Bart Funnekotter