Opinie

    • Jan Kuitenbrouwer

Als we het internet vrij laten, neemt het ons gevangen

Internet zou een hele nieuwe publieke ruimte scheppen. Open en democratisch. Maar het liep anders. over hoe kapitaal en commercie het internet koloniseerden, aan de hand van Jürgen Habermas.

Illustraties Cyprian Koscielniak

In De structuurverandering van het publieke domein beschreef de Duitse filosoof Jürgen Habermas hoe in het Europa van de achttiende eeuw de „publieke sfeer” ontstond. Vanuit de salons en de koffiehuizen van de „burgerlijk constitutionele staat”, die volgde op de feodale staat en vooraf ging aan de democratische rechtsstaat van vandaag, vormde zich de „civiele samenleving” van verenigingen, academies, debatclubs, vakbonden en beroepsorganisaties, waarbij burgers, van hoog tot laag, in een „kritisch-rationeel debat” hun mening vormen over de inrichting van de samenleving. Het was de geboorte van de „publieke opinie” – een term die nu zo is ingeburgerd dat je je niet realiseert dat hij ooit niet bestond.

Die „publieke sfeer” is niet een markt, een koffiehuis, een salon of een krant, hij stijgt daar bovenuit als een abstract forum voor dialoog en niet-ideologische publieke opinie, een levendig debat op meerdere niveaus in de samenleving. Vrij van ideologie, vrij van inmenging, of zoals Habermas het uitdrukt: „machtsvrij”. Het enige belang is het gezamenlijke belang van een goede meningsvorming.

Jürgen Habermas laat zien hoe die machtsvrije debatcultuur in de negentiende en twintigste eeuw geleidelijk aan gekoloniseerd wordt door een commerciële mediacultuur en het politiek-economische krachtenveld. De massamedia zijn geëvolueerd tot kapitalistische organisaties, hun rol in het publieke debat is verschoven van het verspreiden van betrouwbare informatie tot het kneden van de publieke opinie. De publieke sfeer is niet „machtsvrij” meer. „De door de massamedia gecreëerde wereld is alleen nog in schijn een publiek domein.”

De structuurverandering (1962) was een profetisch werk over hoe de mediacultuur en de openbare meningsvorming zich in de twintigste eeuw zouden ontwikkelen. Je leest het en denkt: you ain’t seen nothing yet, Jürgen. Maar ziedaar het internet: een volledig nieuwe publieke ruimte, open, democratisch en egalitair. Deze digitale ruimte kon het nieuwe, wereldwijde koffiehuis worden voor rationeel-kritisch debat, „machtsvrij”. Een herkansing voor Habermas! Het zou anders lopen.

Ook dit nieuwe domein zou gekoloniseerd worden door kapitaal en commercie, en in veel sterkere mate dan het ‘oude’ mediabestel. Van een funky tegencultuur van geeks en nerds groeide het uit tot het centrale zenuwstelsel van de wereld en het grootste economische machtsblok aller tijden, in handen van een handvol multimiljardairs in een voormalige pruimenboomgaard in Californië. Een systeem waarvan de werking geheim is en waarop wij als burger geen invloed hebben. Een datadictatuur.

Drilpudding

De pioniers zagen het internet als een op zichzelf staande democratie, met een eigen ‘soevereiniteit’. Vrijwel iedereen in en rond Silicon Valley geloofde dit in die jaren. Sterker, je kón het internet niet eens reguleren. In 2000 zei Bill Clinton in een toespraak: „Het staat buiten kijf dat China pogingen doet om het internet onder de duim te krijgen. Veel succes ermee – je kunt nog beter proberen om drilpudding aan de muur te spijkeren!”

Het is onzin. Het internet is geen drilpudding, het is een weefsel van lijnen, die je kunt doorknippen. China hééft het internet onder controle. „Gevaarlijke” diensten worden geblokkeerd en zonodig vervangen door een staatsgecontroleerd alternatief, zoals Weibo, het Chinese Twitter, en Renren, een soort Facebook.

Maar Clinton vertolkte de communis opinio van dat moment: het reguleren van het internet was destijds onwenselijk en onmogelijk. De ‘Californische Ideologie’ was leidend: de overheid en het grootbedrijf moesten zoveel mogelijk op afstand gehouden worden.

Het internet was geen staatsvoorziening en geen industrie; het internet was een „sociaal-technologisch experiment”. En om dat experiment te beschermen werd er een hek omheen gezet: ‘Verboden voor big business, verboden voor big brother.’

Juist door deze status aparte heeft het digitale domein zich ‘onder de radar’ kunnen ontwikkelen tot de datadictatuur die het nu is. Dat politieke reclame op internet bijvoorbeeld zo’n hoge vlucht heeft genomen is precies omdat er, in tegenstelling tot in de gewone wereld, geen regels voor zijn. En het is niet dat de politiek zich even niet realiseerde dat dit nodig was, al begin jaren nul deed de Amerikaanse Senaat pogingen om politieke internetreclame te reguleren zoals in de oude media. In 2002 werd stand-by-your-ad ingevoerd, de verplichting voor iedereen die zich in een verkiezingsstrijd mengt om kenbaar te maken namens welke kandidaat zij dit doen, met de bekende disclaimer: „I’m So-and-so, and I approve this message.”

Met een zeldzame verzameling onzin-argumenten wist Sillicon Valley dit te verijdelen. Online reclame was toch eigenlijk het beste te vergelijken met de bedrukte ballpoint, werd gesteld, het t-shirt met opdruk of skywriting, vliegtuigen die met witte rook boodschappen in de lucht schrijven. Die waren vrijgesteld van stand-by-your-ad, en dus had het internet ook recht op zo’n vrijstelling.

En hij kwam er! Dat maakte de weg vrij voor de zogeheten dark post, niet-identificeerbare propaganda-uitingen op internet, langs die weg kon het Kremlin zich met de Amerikaanse verkiezingen bemoeien, zo ontstond het Cambridge Analytica-schandaal, dat leidde tot het onderzoek van speciaal aanklager Robert Mueller en alles wat daar nog uit voort gaat komen, inclusief de mogelijke impeachment van president Donald Trump.

Lees ook De vorige aflevering in de serie ‘Nieuw Licht’, over seksualiteit, van Marli Huijer

Big brother én big business

Zo onttrekt de internetindustrie zich voortdurend aan publieke controle en stelt zijn eigen wetten. In de gewone wereld is anonimiteit taboe, op internet is het normaal. Een krantenbedrijf dat meer dan 50 procent marktaandeel verwerft krijgt met een mededingingsautoriteit te maken, de grote internetbedrijven hebben marktaandelen van 70, 80, soms meer dan 90 procent. De tycoons van Silicon Valley kopen halve woonwijken op om hun privacy te waarborgen en bewaken hun copyrights en patenten met legers advocaten, maar de privacy en het auteursrecht van u en mij interesseert ze niets. Achter dat hek rond Silicon Valley – ‘Verboden voor overheid en grootkapitaal’ – groeide iets dat zich dertig jaar later misschien nog het best laat omschrijven als een mutatie van die twee: big business en big brother in één.

Het gevolg: een uitholling van de film- en muziekindustrie door digitale piraterij, verborgen politieke manipulatie door troll farms en keyboard armies, polarisatie door een verruiging van het publieke debat en allerlei vormen van online wangedrag, inclusief haat- en lastercampagnes die levens kosten.

Nee, voor zover het internet een herkansing vormde voor het koffiehuis van Habermas, heeft het zijn belofte niet waargemaakt. Latere denkers hebben zich afgevraagd of Habermas’ theorie over de publieke sfeer en het belang van kritisch-rationeel debat nog relevant is voor vandaag. Is ons gedrag geworteld in standaarden van rede en rechtvaardigheid, een overtuiging die Habermas weigert los te laten, of is de wereld slechts een relativistisch moeras waarin wij ons spel spelen, op zoek naar wat macht? Wij neigen steeds meer naar dat laatste. Is wat Habermas beschreef als een degradatie van de publieke sfeer niet langzamerhand uitgegroeid tot haar nieuwe gedaante? Een onomkeerbare mutatie, waar je met nostalgie niets tegen doet?

Habermas noemt het „een vorm van herfeodalisering”. Eerst was er alleen een vorst, wiens communicatie met het volk uitsluitend bestond uit het etaleren van zijn macht, zodat mensen geen gekke ideeën kregen. „Publieke opinie” bestond niet. Toen kwam de constitutionele democratie, met vrije meningsvorming in de boezem van de bourgeoisie. En toen kwam de media-industrie: de macht debatteert niet, de macht manipuleert consensus, zodat mensen geen gekke ideeën krijgen. Een nieuwe vorm van feodalisme.

Geen toeval dat die term in de discussie over het internet ook geregeld valt. De techtycoons zijn de grootgrondbezitters van nu. Cyberspace is van hen, wie daar iets wil, moet betalen. Met geld, met data of met aandacht. Politiek vinden zij overbodig, het liefst beginnen zij hun eigen staat, zie Elon Musk met zijn Mars-plannen.

Oude media

De cyberdemocratie is niet geworden wat de founding fathers voor ogen hadden. De angst was dat regulering de ontwikkeling van het internet zou hinderen en nu bepalen de Big Five wat relevante innovatie is en wat niet. De angst was dat de bestaande media-industrie internet zou beroven van zijn unieke, democratische karakter. Inmiddels is het andersom: de oude media liggen op het droge, happend naar adem.

Internet is in vijfentwintig jaar tijd als het ware kapotgemaakt, zegt Marleen Stikker, oprichter van De Digitale Stad, pionier van het vrije internet in Nederland. „Het kost zeker vijfentwintig jaar om dat weer te herstellen, en om een internet tot stand te brengen dat draait om publieke waarden in plaats van het verdienen van grote sommen geld met grote hoeveelheden data.”

De jongens van Google en Facebook zeggen altijd dat zij the world a better place willen maken. Maar zij deden het omgekeerde. Laten we, nu het nog kan, het internet repareren, door het te onderwerpen aan democratische en publieke waarden.

Wat op het spel staat is de Vierde Macht en, uiteindelijk, de democratie. Let’s make the web a better place! Het is een zaak van existentieel zelfbehoud.

    • Jan Kuitenbrouwer