Recensie

Als de letters het verhaal zelf in de hand nemen

Jeugdboek Ted van Lieshout voert in zijn nieuwe bundel een dichter op die vanwege liefdesverdriet geplaagd wordt door een writer’s block. Na nutteloze pogingen de dichter achter zijn tafel te krijgen, gaan de letters zelf aan de schrijverij.

Pagina’s uit Ze gaan er met je neus vandoor

Ted van Lieshout vindt dat een boek meer dan de drager van een verhaal moet zijn. „Elk boek”, zo zei hij ooit in een interview, „moet voor mij een opzichzelfstaand kunstwerk zijn, dat is gemaakt van taal en beeld, met inachtneming van het materiaal.”

Met zijn nieuwste titel is Van Lieshout – de unieke schrijver en vormgever die hij is – daarin glansrijk geslaagd. Ze gaan er met je neus vandoor is een toonbeeld van door experimenteerdrift gedreven zinnenprikkelende typografische kunst, waarbij alles – de opmaak, de geblokte bladspiegels, de witruimte en de grootte, dikte en stand van de letters – bijdraagt aan de betekenis van het verhaal.

Dat verhaal laat zich niet gemakkelijk vertellen, hoe ongecompliceerd Van Lieshouts zinnen ook zijn. Niet geheel toevallig loopt die ontoereikendheid van taal als rode draad door het boek, dat de chaotische wereld waarin we leven en onze behoefte om daarin orde aan te brengen visueel en tekstueel even origineel als toegankelijk verbeeldt.

Die chaos ontstaat al direct na het heldere openingsgedicht over de vergeefse liefde van een sneeuwman voor een opportunistisch konijn dat er met zijn neus vandoor gaat. Het blijkt een treffende verwijzing naar de dichter zelf, die vanwege ernstig liefdesverdriet geplaagd wordt door een writer’s block. Hij krijgt letterlijk geen woord op papier, zo tonen de (bijna helemaal) witte pagina’s na het gedicht.

Betekenisvolle leegte: wat een geweldige vondst. Maar daarmee maak je natuurlijk geen boek. Dat beseffen de letters ook. Na nutteloze pogingen de dichter achter zijn tafel te krijgen (zelfspot is Van Lieshout niet vreemd), gaan ze zelf aan de schrijverij. Dat resulteert in een grandioos metafictioneel spel, waarbij Van Lieshout speels en effectief laat zien hoe iedere tekst een bouwwerk van taal is, met onze verbeeldingskracht als onwrikbaar fundament: zonder de dichter kunnen de letters niets en blijven ze steken in ‘huilebalkerige rijmelaarij.’ Zich realiserend dat ze ‘goed zijn in woorden maken, maar niet in verwoorden’, besluiten ze een nieuwe liefde voor hun dichter te zoeken. Als dat lukt, brengen ze echter ongewild de woorden van een andere dichter het boek binnen (herkenbaar aan hun rode kleur), die de tragiek van WOI bezingt. Een heftige typografische letterstrijd tussen zwart en rood is het gevolg, waarbij letters sneuvelen, of verminkt raken.

Ingenieus zoals de spectaculaire vormgeving de oorlogsthematiek weerspiegelt. Hoogtepunt (of juist dieptepunt) is de spread die door de uitgekiende regelmatige rangschikking van de rode en zwarte woorden roept het beeld van de eindeloze rijen oorlogsgraven op. Het versterkt het diepe leed dat schuilgaat achter de sobere woorden over de Grote Oorlog: ‘Laten we niet proberen hetere tranen/ te schreien dan een ander. Kom, we […] vechten niet langer om wie/ de zomer krijgt en wie de winter./ We blazen samen warme wolkjes uit.’

Dat de (oorlogs)strijd, en de onderliggende vraag waartoe die eigenlijk diende, de dichter weer bij zinnen brengt, is een hoopvol gegeven. Dat maakt dat dit boek meer is dan een autonoom kunstwerk en vernuftig vorm- en taalspel van een subversief kunstenaar. Er zijn altijd dichters in wie je een bondgenoot herkent. En sommigen zijn zo goed, dat woorden tekortschieten.

    • Mirjam Noorduijn