Foto Marwan Magroun

‘Alle sympathie verbaast me, want ik heb een bitse, harde kant’

Mark Hoogstad

Na jaren als stadhuis-watcher wilde Mark Hoogstad wat anders. Toen werd hij ziek. Deze week kreeg hij de Rotterdamse Persprijs.

Het was een avond rond journalist Mark Hoogstad en zijn nieuwe boek. De grote zaal van Arminius was afgeladen vol op 20 februari van dit jaar voor de presentatie van Rotterdam, stad van twee snelheden. Van vicepremier Hugo de Jonge tot burgemeester Ahmed Aboutaleb – iedereen was er. Het was Hoogstads afsluiting van tien jaar verslaggeving over lokale politiek.

Alleen zijn vrouw Marike, zijn twee dochters en wat vrienden wisten dat Hoogstad (48) diezelfde ochtend een MRI-scan had gehad. De uitslag – uitgezaaide prostaatkanker – kwam pas een week later. „Maar ik vóélde het al aan mijn lichaam”, vertelt Hoogstad. „Ik heb nog overwogen die hele boekprestentatie eruit te gooien, maar ja: er waren vierhonderd aanmeldingen. En je moet je succes ook wel een beetje vieren.”

Presentator Francisco van Jole vroeg Hoogstad: „Is dit ook je afscheid van Rotterdam? En ik dacht, als ik nu opzij kijk naar Marike en mijn vrienden, dan ben ik weg. Dan sta ik daar ten overstaan van vierhonderd man te janken als een klein kind. Ik heb me daar uit weten te kletsen. Om tien uur was het afgelopen en ik dacht: ik heb het overleefd.”

Afgelopen donderdag was Hoogstad weer het middelpunt in Arminius. Nu om – eindelijk – de jaarlijkse Rotterdamse Persprijs in ontvangst te nemen voor zijn boek: een trofee plus 5.000 euro. Volgens de jury van de persprijs biedt het boek een „diepgaand inzicht” in de lokale politiek in een „meeslepende stijl”. Schalks verwijst de jury ook naar een „zekere tegendraadsheid en vasthoudendheid” die Hoogstad kenmerkt.

„Ik ben geen makkelijk mens”, erkent hij. „Niet voor mezelf, maar ook niet voor mijn naaste omgeving.”

Rotterdam, stad van twee snelheden beschrijft enerzijds de nieuwe populaire woonstad en anderzijds de chronische armoede en achterstanden. Maar het is vooral een weerslag van Hoogstads stadhuisjaren: de crises bij partijen als Leefbaar Rotterdam en D66, de opkomst van het islamitisch geïnspireerde Nida en de moeizame formatie van het huidige college met zes partijen.

Hoogstad werkte sinds 1994 bij het landelijke NRC toen hij in 2012 overstapte naar het AD Rotterdams Dagblad. Na „drie mooie jaren” en nog eens anderhalf jaar nam hij in juni 2017 ontslag om freelancer voor Trouw te worden. Journalistiek is een „gekmakende ratrace” zonder diepgang geworden, schreef hij over zijn besluit op de site Villamedia.

De uitreiking van de Rotterdamse Persprijs is ruim een maand vervroegd vanwege Hoogstads ziekte. Zijn aangepaste bed wordt net gebracht als hij begin deze week dit interview geeft, thuis in Noord. Alle aandacht en interviewverzoeken doen hem goed, vertelt hij. „Alleen: de zweem die er een beetje omheen hangt. Ik heb plotseling de gunfactor. Ach, die arme jongen.”

Krijg je de prijs omdat je ziek bent, of omdat je hem verdient?

„Ik krijg hem op basis van de inhoud. Die vraag alleen al is te giftig voor woorden. Ik heb me er vorige week van vergewist, heb nog een aantal telefoontjes gepleegd. Als er ook maar het geringste spoor is dat ik hem zou krijgen omdat ik ziek ben, weiger ik, heb ik gezegd. Dat is ook mijn eigen onzekerheid. Ik moet afgerekend worden op de kwaliteit, niet omdat ik linksdragend ben, mijn gulp open staat, of dat soort onzin.” (Lachend): „Het is gewoon een goed boek. Steengoed.”

Vier jaar geleden was je ook genomineerd, maar toen won De Buik van Rotterdam [een culinaire website].

„Dat was schan-da-lig. Iedereen vond mij de gedoodverfde winnaar. Het was 2014, het jaar van de verkiezingen en een hoop gedoe met Leefbaar. Ik had dat geruchtmakende interview met [oud-raadslid] Ronald Buijt die de vuile was buiten hing [over de zogenoemde ‘wethouderscoup’ binnen Leefbaar]. En De Buik wint. Dat is geen journalistiek! Dat heb ik ze ook gezegd. Jullie schrijven louter positieve stukken, jullie hadden de promotieprijs moeten winnen. Ik ben er nog boos om.”

Het AD Rotterdams Dagblad heeft je dit jaar voorgedragen voor de prijs.

„Ja. Dat staat wel honderdtachtig graden haaks op hun gedrag tot drie weken geleden. Daar ga ik niet te veel over zeggen, maar één ding wel. Ze hebben geen letter aandacht aan het boek besteed. Helemaal niets. Terwijl het wekenlang het bestverkochte non-fictieboek was bij Donner. Iedere boerenlul uit Rotterdam die een boek schrijft, krijgt standaard een halve pagina. Niks. De halve redactie is nog in ‘opstand’ gekomen. Tevergeefs.”

„Volgende vraag”, zegt Hoogstad dan als regisseur van het interview. „Ik heb ooit gezegd: ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune. Maar natrappen wil ik niet meer. Als ik iets heb geleerd…”

De zwarte huispoes Hennie loopt door de tuin. „Kijk”, zegt Hoogstad. „Over haar heb ik veel nagedacht. Weet je wanneer we haar kregen? Op 10 juni 2017. Via de zwerfkattenopvang. Drie dagen later barstte tussen mij en het AD de bom.”

De timing van je vertrek daar was achteraf ongelukkig. Je werd ziek zonder vangnet. Heb je daar spijt van gehad?

„Nee. Het was de enige juiste keuze. Het enige wat ik mis, is een aantal collega’s, maar daar onderhoud ik zelf contact mee. En mijn commentaar op zaterdag. Dat vond ik het allerleukst om te doen. Ik heb drie goede jaren gehad. Toen werd het minder, en kwam de krant in de greep van het snel, sneller, snelst schrijven. Ik was alleen nog vakken aan het vullen.”

Na je vertrek had je wel tijd voor je boek.

„Met het boek kon ik eindelijk weer eens de diepte ingaan. Het gaf mij ook een alibi om erop uit te gaan, onder de mensen te blijven komen. En het moment kwam in zicht dat ik tien jaar over die stad had geschreven. Het boek is een afsluiting.”

Je hebt kritiek op de verschraling van de journalistiek. Je was soms de enige bij commissievergaderingen, zei je. Maar nu zitten de persbankjes soms vol.

„Ja, maar waar schrijven ze over? De gillende keukenmeid Tanya Hoogwerf [van Leefbaar] die iets roept over de islam. Dat wordt dan gecounterd door de jongens van Denk en Nida. Je kunt het zo uittekenen, je hoeft er niet eens heen te gaan.”

Was het debat tien jaar terug anders?

„Ja, maar ik keek er ook anders naar. En in de raad zat ook meer kwaliteit dan nu. Raadsleden zijn goedwillende amateurs. Eenderde is niet geschikt, eenderde amper en eenderde wel. Ze krijgen complexe dossiers. Ik geef je het te doen om dat er parttime bij te doen. Je krijgt voortdurend gezeik over je heen. Wie wil er nog raadslid zijn? En ik was ook wel zeer nadrukkelijk onderdeel van die ‘kaasstolp’ [het stadhuis] geworden. Dat is niet goed. Als raadsleden jou raad gaan vragen van ‘goh, hoe zou jij dat en dat gaan doen’, en je gaat er serieus op in, dat is gekkigheid. Dat is mijn taak helemaal niet. Ik was one of the guys op een gegeven moment.”

Ben je bevriend geraakt met raadsleden? Zoals Dries Mosch [van Leefbaar]?

„Nou, nee, dan heb ik een andere definitie van vriendschap dan jij. Ik heb vorige week thuis mijn verjaardag gevierd, en er was geen politicus op mijn feestje. Voor Dries Mosch heb ik wel een zwak. Hij belichaamt voor mij het naoorlogse Rotterdam, het authentieke Leefbaar.”

Lees ook: Een smakelijk verslag van politieke machinaties in Rotterdam

Het is wat burgemeester Aboutaleb zei bij je boekpresentatie. Mark rookte sigaretjes met raadsleden in de stadhuistuin. De afstand was te klein, vond hij.

„Ja, maar die selfkick van Aboutaleb die avond verdient enige nuancering. Ik heb het weliswaar niet gelezen, maar dit en dit, zei hij. Dat moet ik eens bij hem flikken! Moet ik eens onvoorbereid bij hem voor een interview komen. Die man is zo ijdel; waar hij vermoedelijk van baalt, is dat hij geen zelfstandig hoofdstuk in het boek heeft gekregen. Hij is slechts een van de velen, geen hoofdrolspeler… Maar het is een goede burgemeester. Hij was hier laatst nog op ziekenbezoek. Heel lief, had helemaal niet gehoeven.”

Hoe was dat?

„Hij had bonbons bij zich. Had hij gekocht, of ik denk zijn chauffeur en dat hij ze had betaald. Met zijn woordvoerder, Lennart de Jong, heb ik een hele warme band. Die zat hier in tranen op de bank. Bij Aboutaleb blijft het altijd een beetje formeel. Ja, het is raar. Er komen nu mensen langs die ik altijd op afstand heb gehouden. Maar ik ben minder mobiel nu. Peggy Wijntuin [oud-PvdA-raadslid] heeft hier laatst Surinaams gekookt. Fantastisch. Hebben we op een maandag heerlijk gegeten in de tuin. Zelfs jongens als Marco Pastors en Joost Eerdmans [van Leefbaar], niet mijn grootste vrienden meer, hebben van zich laten horen.”

Waar is het misgelopen tussen jullie?

„Goede vraag, je zou het Eerdmans moeten vragen. Hij vindt mij te kritisch en ik begrijp dat niet, want ik doe juist datgene wat hij zegt toe te juichen: leve het vrije woord. Maar die man krijgt jeuk van mij, en ik krijg jeuk van hem, terwijl het in de kern een hele aardige jongen is.

„Met Pastors heb ik altijd een warme band gehad. Eén keer per jaar gingen we met elkaar eten. Toen kwam er een kink in de kabel. Via via kwam ik in het bezit van een sms’je dat hij als directeur van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid had gestuurd aan Ivo Opstelten, toen minister van Justitie. Dat is pikant, want ambtenaren mogen helemaal geen politiek bedrijven. Het mondde uit in een serie artikelen. Dat vond Pastors niet leuk. Hij liet zich ontvallen: ‘Ik dacht dat we vrienden waren’. Grenzeloos naïef.

„Het verbaast me dat ik nu zoveel sympathie krijg, omdat ik een bitse, harde kant heb. Ik spaar niemand, ter linker of ter rechter zijde. Ik pak Leefbaar aan, ik pak de PvdA aan, maar het is altijd straight. Dat hebben ze zeer gewaardeerd.”

Je hebt een karakter. Hoe zou je jezelf omschrijven?

„Als een [pauze] integere, God… [langere pauze] humorvolle, uhm doordouwer. Met perfectionistische trekjes, en dat laatste zat me wel een beetje in de weg.”

Met een dikke bijsluiter?

„Valt wel mee. Dan doe je mij tekort. Jij wil die kant op, daar ga ik voorliggen.”

Doe nog eens een poging.

„Oké, een gedreven journalist die niet snel tevreden is, en in zijn scoringsdrift soms wel eens te lang en te ver doorging.”

Zijn vrouw Marike voegt later toe: trouw. Hoogstad: „Ja, tot op het kinderlijke af.”

Wat heeft dat karakter je opgeleverd en waar heeft het je dwarsgezeten?

Quasi plechtig: „Het heeft me de Rotterdamse Persprijs opgeleverd.

„Nee, het heeft me wat vijanden opgeleverd, maar vooral de warmte en genegenheid die me de afgelopen tijd ten deel is gevallen. En mijn werk als journalist waar ik onwaarschijnlijk veel plezier aan heb beleefd. Ik heb de halve wereld gezien.”

    • Elsje Jorritsma
    • Eppo König