Lieve Joris: „Dit boek is met mededogen geschreven en ik heb mezelf niet gespaard.”

Foto Merlijn Doomernik

‘Ik heb altijd wel een antenne voor gevaar gehad’

Interview Na boeken over mensen in China, Congo, Syrië, schrijft Lieve Joris voor het eerst over haar dorp, haar familie, zichzelf en de broer die niet wilde deugen. ‘Je laat je kind niet vallen – misschien is dat op platteland sterker dan in de stad.’

Lieve Joris komt uit een katholiek gezin met negen kinderen en een van hen, Fonny, geboren in 1950, was een junk. Hij stal van zijn ouders, bedroog zijn broers en zusters, sloeg zijn vriendinnen, leerde zijn dochter heroïne spuiten en liep weg als hij weer eens was opgenomen om af te kicken, soms de volgende dag al. Het nieuwste boek van Lieve Joris, Terug naar Neerpelt, gaat over hem. Voor het eerst, op haar vijfenzestigste, zoekt ze haar verhaal niet in Congo, Syrië of China, maar in het dorp van haar jeugd, in Vlaams Limburg, net over de grens.

Het begint in 1992, als Fonny stijf van de drugs met zijn auto tegen een boom is geknald en haar vader haar met zijn grafstem opbelt: haar broer ligt in coma op de intensieve. Drievoudige schedelfractuur, zeven gebroken ribben, een verbrande linkerhand. Die had een poosje in het kokende water van de radiateur gelegen. En wat doet de familie, die al zo lang onder hem lijdt? Allemaal naar het ziekenhuis! Ook broer Filip, die al tien jaar niet tegen Fonny praat. Ook zus Wies, die eens heeft gezegd dat ze Fonny graag zou doodschieten als iemand haar een pistool gaf. Dat was toen haar vader haar gevraagd had om een ritje met haar broer te maken, dat zou hem goeddoen. Ze hopen dat Fonny blijft leven, al was het maar om hun ouders het verdriet van een dood kind te besparen.

Je bent toen, schrijf je, aantekeningen gaan maken van wat iedereen deed en zei.

„Omdat je zoveel vergeet, vooral de dingen die onbelangrijk lijken. Wies die tussen alles door meldt dat ze een Olivier Strelli-pakje heeft gekocht voor een bruiloft, oranje, heel mooi, en haar gezicht eens goed heeft laten masseren. Of mijn broer Rik die opstaat en vraagt wat we van zijn plastron vinden, is die niet te lang? Die elementen maken het verhaal draaglijk om te schrijven en hopelijk ook om te lezen.”

Je wist al dat het een boek zou worden?

„Het was een verhaal waar ik omheen reisde en ik heb lang gedacht: daar blijf ik omheen reizen, want wat is de legitimiteit? Waarom zou ik het prijsgeven? Maar toen stierf Fonny, in 1998, en daarna mijn moeder, in 2003, en mijn vader, in 2008, en mijn zusje Hildeke, die het syndroom van Down had. De belangrijkste personages waren weg en toen ging het vanzelf. Het verhaal drong zich op. En ja, ik heb altijd gedacht: als ik over hem ga schrijven, dan is het ongeluk dramatisch gezien een geschikt begin.”

Wat was er met Fonny?

„Ik moet voorzichtig zijn, want ik weet het niet echt. Het zoemt in de familie van de bakerpraatjes. Mijn moeder had een spuit van de dokter gekregen toen ze na de geboorte van haar tweede maar niet ongesteld werd. Bleek ze zwanger te zijn. Ze viel met haar dikke buik van de Vespa toen mijn vader op het kruispunt bij bakkerij Laukens hard optrok. De moederkoek zou bij Fonny’s geboorte abnormaal groot zijn geweest. Fonny werd niet bij mijn moeder in bed gelegd, zoals de andere kinderen, maar in een rieten mandje naast haar. Misschien was er minimal brain damage.”

Nu zouden we ADHD zeggen.

„Mijn oudste zus zegt dat hij als klein kind al streken had. Hij was ook astmatisch, daar had hij een pomperke voor. Was iedereen kwaad op hem, kreeg hij een aanval – o, o, onze Fonny heeft een aanval, waar is zijn pomperke – en dan was hij opeens het slachtoffer. In het archief van mijn vader vond ik papieren waaruit bleek dat Fonny op zijn zestiende kalmeermiddelen kreeg. Hij raakte er jong aan gewend om iets te pakken als hij zich niet goed voelde.”

Je ouders stuurden hem op zijn vijfde naar een kindertehuis.

„Omdat hij niet te hanteren was. Ze stuurden onze Rik mee om hem gezelschap te houden en die was nog maar vier. Ik denk: het gezin kon er geen Fonny bij hebben. Stel dat er drie kinderen waren geweest, dan was het misschien nog te doen geweest. De eerste twee waren braaf, en dan een turbulente erbij, ach. Maar na Fonny kwam er nog een en nog een en nog een, en toen een meisje met Down, en daarna nog een en nóg een. Ik heb me ook wel afgevraagd of Fonny baat zou hebben gehad bij een vader die leiding gaf. Een vriend van Fonny vertelde me dat zíjn ouders veel strenger waren. Lag hij opeens in een dwangbuis in een psychiatrische instelling. Zou dat dan beter voor Fonny zijn geweest?”

Je schrijft dat hij een jong poesje tegen de muur smijt.

„Hij zit het gedachteloos te strelen en pakt het opeens bij zijn nekvel. Dat was wel echt heel eh… zorgelijk, ja.”

Vroeger gingen jongens zoals hij varen of het leger in.

„Ik moest aan Fonny denken toen ik een verhaal las over een autistische jongen die zich bij IS wil aansluiten en zijn moeder appt vanuit Turkije: ik ben op weg naar Syrië. Maar Fonny was een kind van de jaren zestig en die haalden ook aangename dingen in hem naar boven. Hij durfde alles, hè. Mijn lerares Nederlands, ze was op haar vijftiende bij de nonnen gegaan, vroeg me eens hoe dat toch kon: de muziek, de kleren, opeens was het allemaal ook in Neerpelt. Mijn broer liep rond met een gitaar en nam met zijn bandopnemer Femme Fatale van The Velvet Underground op. Ik zat in mijn groene nylon schort op kostschool, met die nonnen als cipiers om me heen, en Fonny liep buiten met een vriend op wie ik verliefd was en gooide alles open.”

Jongens die muziek maken op het strand, die zijn meisjes aan het vangen. Als je dát niet door hebt

Hij was je held.

„En hij had talent, hè. Hij had een bijzondere stem en hij kon gitaar spelen. Mijn vader, o, die was zo trots, onze Fonny is nen artiest. Hij had op het gazon tussen ons huis en het huisje van mijn bomma een chalet laten bouwen, daar kon Fonny oefenen met The Reborns, die optraden in dancings en cafés. Was onze Fonny maar een doorzetter geweest. Maar dan kwam hij weer te laat op een repetitie. Of had hij een pilletje gepakt en moesten ze hem in bed leggen. Of hij ging met een ouder lid dat niet wilde deugen door Duitsland toeren en feestvieren, met het busje van de band.”

Je vader blijft hem tot zijn dood verdedigen en wordt boos als jullie over zijn verslaving praten.

„Je laat je kind niet vallen – misschien is dat op platteland sterker dan in de stad. Het had ook met mijn vaders geloof te maken, de echo van de verloren zoon. Dat was een parabel waar mijn vader mee opgroeide en opeens hád hij zo’n kind. Er was iets in Fonny dat hij herkende en bewonderde. Dat dwarse, dat tegen alles en iedereen ingaan. Hij was zelf ook opstandig en daar had hij reden toe, met Fonny en Hildeke en alle instanties waar je dan mee te maken krijgt.”

Hij was wel een keurige belastingontvanger.

„Uit een goed nest. Maar hij had een enorme knauw gekregen doordat zijn vader zo jong overleed” – die was met door gas verwoeste longen uit de Eerste Wereldoorlog gekomen – „en de verhuizing daarna naar Maldegem, honderddertig kilometer westwaarts. Zijn moeder moest weg uit de dienstwoning van de Rijksweldadigheidsschool, waar zijn vader gewerkt had. Toen overleed zijn nonk Gerard ook nog, aan de vliegende tering. Nonk Gerard was in Rome summa cum laude gepromoveerd in de godgeleerdheid en praatte met mijn vader alsof die al een grote jongen was, over de poëzie van Rilke en Heine.”

Je vader was enig kind, dat maakt ook wat uit.

„Op de foto’s van mijn ouders’ huwelijksreis zie je een mooie, lange, slanke man, keurige bril, goed gekleed en dan” – ze lacht – „die negen kinderen waar hij helemaal niet tegen opgewassen is. Maar hij wilde het en mijn moeder wilde het ook. De jongste zus van mijn moeder had drie kinderen en mijn vader kwam een keer bij haar binnen en zei: wij doen niet aan onthouding. Je zou denken: na Hildeke stoppen ze. Nee hoor, nog twee.”

Jij was de vijfde, de middelste.

„Mijn moeder heeft mij als baby al aan bomma uitbesteed. Ze woonde bij ons op het domein en ik sliep bij haar. Als ik aan die jaren denk, zie ik mezelf in het huis van mijn grootmoeder. Ik kijk door het raam naar het huis aan de overkant met alle drukte en achter me zit bomma het rozenhoedje te bidden.”

Je bent lang een braaf kostschoolmeisje geweest, in je groene nylon schort.

„Toen iedereen allang rookte, ging ik stiekem in een hoekje mijn eerste sigaretje opsteken. Er zat veel van bomma’s wereld in mij.”

Maar als je dan van de middelbare school komt…

„…is het opeens, pang, de deksel die van de snelkookpan vliegt.”

En ga je best gekke dingen doen, gevaarlijke dingen ook.

„Toen ik het allemaal opschreef, dacht ik soms: was ik dat? Het gemak waarmee ik met Jeanie, die ik nauwelijks ken, naar Californië en Oregon lift, en dan zitten we bij iemand in de auto en pikken we nog iemand op, een mooie blonde jongen… aangename stem… hij woont in een leefgemeenschap in de woestijn… en twee uur later volg ik hem zonder ergens over te praten naar zijn kamer.”

Of die man die je ontmoet in een dancing in New Mexico…

„Hij blijkt in een woonwagenkamp te wonen en het plafond van zijn slaapkamer is bedekt met besneeuwvlokte spiegels. Achteraf zeg je: onverantwoord. Maar toen, het was zo’n andere tijd. En hij was geen ruig type, hoor. Hij bracht me gewoon weer terug. Ik heb altijd wel een antenne voor gevaar gehad, anders had ik hier niet gezeten. Toen ik na Amerika begon te reizen naar landen waar echt wat aan de hand was – ik liep niet in zeven sloten tegelijk. Iemand zei: ik was in Marokko met een vriendin en zij is daar verkracht. Ik vraag: hoe dan? Ja, we waren op het strand en die jongens zaten te trommelen en ze namen ons mee, ver weg, in het riet… Sorry, hoor. Jongens die muziek maken op het strand, die zijn meisjes aan het vangen. Als je dát niet door hebt.”

Je bent je hele leven blijven reizen.

„Ik begin iets rustiger te worden. Nu pas heb ik het gevoel dat ik niet altijd hoef te werken, niet meer altijd dit nog en dat, en meer, en beter. Daarom wilde ik nooit kinderen. Ik dacht: dan wil ik dat ook heel goed doen en kan ik niet naar Congo, waar het oorlog is.”

Joris schreef in 2015 het Groot Dictee der Nederlandse Taal. „Goed spellen vind ik net zoiets als je kamer opruimen.”

Die onrust, het grenzeloze, lijk je daarin op je broer?

„Het verschil is: hij had negatieve faalangst en ik positieve. Hij was op zoek naar iets waarmee hij de leegte in zichzelf kon vullen, en hij wist niet wat. Ik wist het wel.”

Je broer heeft vermoedelijk zelfmoord gepleegd door een overdosis.

„Dat schrijft de politie in het proces-verbaal, nadat ze hem dood in zijn huis hebben gevonden, maar zeker weten we het niet. Geen sporen van geweld, wel priksporen op beide armen. Bloed op de keukenvloer, injectiespuiten, een zwartgeblakerde soeplepel. In zijn aktetas vinden ze iets dat lijkt op een afscheidsbriefje aan zijn dochter.”

Zou hij het gewaardeerd hebben, een boek over hem?

„Ik had het natuurlijk nooit gedaan als hij nog geleefd had. Nu hij er niet meer is, en nu mijn ouders er niet meer zijn…”

En je vader?

„Wat wij nu doen en durven, dat heel persoonlijke schrijven, dat is niets voor zijn generatie. Hij was opgegroeid met Elsschot, hij zou het verhaal niet zien. Het zou hem aan psychologisch inzicht ontbreken. Ik las in Le Monde een stuk over autobiografische literatuur, waarin stond: naarmate mensen geletterder zijn, kunnen ze dit soort boeken beter begrijpen.”

Je hebt je boek niet vóór publicatie aan je broers en zussen laten lezen.

„Het is mijn verhaal en als iedereen er wat over te zeggen krijgt, wordt het een stoel waar beetje bij beetje de poten onder vandaan worden gezaagd. Nee, nee, dat wil ik er niet in. O, maar dat heb ik nooit zo gezegd. Het is met mededogen geschreven en ik heb mezelf niet gespaard. Mijn broers en zussen hebben wel andere namen gekregen. Ik geef ze de ruimte om te zeggen: ons Lieve heeft zoveel fantasie, altijd hetzelfde met ons Lieve.”

Je hebt ze wel van alles gevraagd en je kreeg het familiearchief.

„Dan belde ik mijn oudste zus: ik lees in een brief van mama dat Fonny ook eens bij jou in Spanje is geweest, hoe zat dat? Ze vertelde het en daarna zei ze: ge gaat dat toch niet opschrijven? Maar Nicole, wat denk je dat ik aan het doen ben?”

Je voelde je vrij om het te doen.

„Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik me voor deze geschiedenis moest schamen. Mijn hele leven heb ik geschreven over de intimiteit van andere mensen en ik ben bij zoveel families geweest dat ik weet: er is overal wat. Het lijkt me niet meer dan fair dat ik ook een keer schrijf over de intimiteit van mijn eigen familie.”

    • Jannetje Koelewijn