Freddie Oversteegen wilde geen heldin zijn, maar gewoon een méns

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Freddie Oversteegen (1925-2018) ging als veertienjarig meisje in het gewapende verzet.

Toen Remi Dekker op de lagere school zat, overhoorde zijn moeder Freddie hem eens over de Tweede Wereldoorlog. „Op een gegeven moment kwamen we bij een vraag over Hannie Schaft,” vertelt Remi, „een verzetsvrouw uit Haarlem”. Zijn moeder schoot ineens vol. Dat was mijn vriendin, zei ze. Meer wilde ze er niet over zeggen.

‘Vriendin’ was waarschijnlijk een understatement: Freddie Oversteegen en haar oudere zus Truus vormden tijdens de Tweede Wereldoorlog met Hannie Schaft een drie-eenheid binnen het verzet. Rond hun woonplaats Haarlem brachten ze wapens rond in fietstassen, saboteerden ze bruggen en treinsporen en, ja, ze schoten ook mensen neer als het daarop aankwam. Afgelopen maand, op 5 september, overleed Freddie Oversteegen op 92-jarige leeftijd. Haar zus Truus overleed twee jaar geleden; Hannie Schaft werd vlak voor het eind van de oorlog gefusilleerd.

Oversteegen kwam uit een atypisch gezin voor het begin van de vorige eeuw, met een communistische, alleenstaande moeder, die eind jaren dertig al onderdak bood aan Joodse Duitsers. Toen de oorlog uitbrak in Nederland vroeg verzetsleider Frans van der Wiel of Truus en Freddie – destijds zestien en veertien jaar – niet voor de Raad van Verzet wilden komen werken. Twee jonge meisjes, die zouden nooit aangehouden worden door de Duitsers. Van hun moeder mocht het, op één voorwaarde: dat ze altijd mens zouden blijven.

Freddie Oversteegen kreeg lang geen erkenning voor haar verzetswerk.

Hoe blijf je mens in een oorlog? In het geval van Freddie Oversteegen zat hem dat vooral in het constant afwegen of wat de Raad van Verzet van haar vroeg, daadwerkelijk het juiste was. Toen ze een vrouw moest neerschieten die vanuit de gemeente Haarlem adressen van Joodse gezinnen doorsluisde naar de nazi’s, beredeneerde Freddie dat dat gerechtvaardigd was: anders zouden duizenden Joden worden opgepakt. „Maar als ze er later over vertelde,” zegt haar zoon Remi, „bleef ze maar benadrukken dat ze die vrouw had aangesproken op de fiets, en toen in één keer dood had geschoten. ‘Ze merkte er niets van’, herhaalde ze altijd.” De reflex van Freddie Oversteegen was dat ze diegene die ze neerschoot, eigenlijk het liefst meteen weer overeind wilde helpen.

Ook na de oorlog bleef de opdracht van haar moeder, blijf altijd een mens, nagalmen in het leven van Oversteegen. „Een paar jaar na de bevrijding is ze op eigen houtje naar Duitsland gegaan”, vertelt Jeroen Pliester, die als voorzitter van de Nationale Hannie Schaft Stichting veel met de zusters Oversteegen samenwerkte. „Puur om aan mensen daar te vragen: hoe heeft het zo ver kunnen komen?” Freddie wilde weten hoe een regime zo ontmenselijkt kon zijn geraakt. Heeft ze een antwoord gekregen? „Als ze dat al had, dan hield ze dat voor zichzelf”, zegt Pliester. „Ze was niet iemand die daarover ging zitten vertellen.”

Nee, Freddie Oversteegen praatte zelden over de oorlog, of over haar rol bij het verzet. „Maar ze hield wel tot op het laatst last van wat ze in die tijd allemaal had meegemaakt”, zegt haar zoon. Toen hij klein was, was zijn moeder vaak ziek en lag soms hele dagen in bed. Haar man Jan Dekker, die een goede baan had bij de Hoogovens in IJmuiden, ging meestal na zijn werk nog boodschappen doen en koken. Dekker: „Mijn moeder was huisvrouw, maar daar had ze dan gewoon de kracht niet voor.”

Toch was Freddie Oversteegen geen sombere vrouw. „Begin jaren zestig kocht ze samen met mijn vader een caravan”, vertelt Remi. „Tijdens de vakantie gingen we dan met vrienden naar Italië of Frankrijk, in een kring op de camping staan.” Op zo’n reis was Freddie de gangmaker. „Ze was dan ook nooit ziek.”

Toen haar drie kinderen het huis uit waren, gingen zij en haar man rondreizen met de camper, door Portugal, Spanje of Marokko. „Ze gingen in oktober weg, en kwamen ergens half april weer terug.” Kinderen en kleinkinderen gingen langs op de plaatsen waar het echtpaar verbleef. „Ze genoot enorm van die vakanties”, zegt Remi. „Van de vrijheid, het niet-herinnerd worden aan de oorlog.”

Wat Freddie Oversteegen lastig vond was het lange uitblijven van erkenning voor het werk dat zij en Truus gedaan hadden. Door de anticommunistische tijdgeest werden de acties van communistische verzetsstrijders als Truus en Freddie na de oorlog doodgezwegen. De jaarlijkse Hannie Schaft-herdenking was in de jaren vijftig zelfs een paar jaar verboden. Pas decennia later, toen Truus begon met kunst maken en lezingen geven over haar tijd bij het verzet, kwam er erkenning voor het werk van de zusters Oversteegen. Maar toen ging de aandacht vooral naar Truus, en nauwelijks naar haar stillere, jongere zus.

„Hannie was de heldin, Truus voerde het woord en mijn moeder kwam er een beetje achteraan”, zegt Remi. „Op herdenkingen kwam iedereen op Truus af”, herinnert Jeroen Pliester zich. „Dat raakte Freddie wel. Dan mompelde ze zoiets als: ik heb dat ook allemaal gedaan, hoor.” Freddie Oversteegen schikte zich in haar rol buiten de spotlights. „Meestal wilde ze bij plechtigheden ook niet op de eerste rij zitten”, zegt Pliester. „Dan zei ze: laat Truus dat maar doen, ik ga wel op de tweede rij.”

Tot twee jaar geleden, toen Truus overleden was. „Toen kwam ze op de Hannie Schaft-herdenking naast me zitten, vooraan”, vertelt Pliester. Hij was, zoals elk jaar, gespannen: zou alles wel goed gaan? Freddie gaf hem een klopje op zijn knie en fluisterde: het komt wel goed. „Het is een klein gebaar,” zegt Pliester, „maar het zegt veel over wie ze was: Freddie plaatste zichzelf niet op de voorgrond en gaf vooral om anderen. Ze wilde geen slachtoffer zijn, of heldin. Ze wilde gewoon mens zijn.”

In november verschijnt Het meisje met de vlechtjes, een roman over het verzetsverleden van Freddie Oversteegen.

2014 - Freddie Oversteegen tijdens de uitreiking van het Mobilisatie-Oorlogskruis naast premier Mark Rutte.

Foto Jerry Lampen/ANP

    • Doortje Smithuijsen