Recensie

Hoe twee nette jongens overgaan tot een lugubere moord in een afgelegen villa

Klassenwraak

Twee Italiaanse rijkeluiszoontjes plegen een lugubere moord in een afgelegen villa. Waarom? Schrijver Edoardo Albinati duikt in de wereld van elitaire jongensscholen vol giftige mannelijkheid en de katholieke kerk.

Illustratie: Joost Hölscher

Op 29 september 1975 worden twee meisjes uit een bescheiden milieu door drie welgestelde Romeinse jongemannen ontvoerd en in een afgelegen villa gefolterd, verkracht en uiteindelijk vermoord. De daders leggen de lijken in de kofferbak van hun Fiat 127, rijden naar Rome en parkeren de auto in de chique wijk waar ze de meisjes ook hebben opgepikt, het Quartiere Trieste, waarna ze in de buurt blijven rondhangen. Dan blijkt een van hun slachtoffers toch nog te leven, ze trekt de aandacht van wijkbewoners door van binnenuit tegen het kofferbakdeksel te slaan, en de gealarmeerde carabinieri arresteren twee daders, die worden berecht en veroordeeld. De derde zal altijd voortvluchtig blijven.

Het Delict van de Circeo, zoals de misdaad is gaan heten, naar het natuurgebied Monte Circeo waar de meisjes ruim een etmaal werden vastgehouden, schokte Italië, niet in de laatste plaats vanwege de komaf van de daders. Edoardo Albinati (Rome, 1956), wiens boeken tot dusverre beperkt succes hadden, zat bij hen op school en vraagt zich in zijn internationale doorbraak De katholieke school af wat hun school, hun wijk – het Quartiere Trieste – en hun generatie met het misdrijf te maken kunnen hebben.

Reusachtig web van beschouwingen

Het Delict van de Circeo, waarvan de hoofdzaak in amper vijftien bladzijden is verteld, vormt het middelpunt van een reusachtig web van beschouwingen, persoonlijke herinneringen en verzinsels dat Albinati in de loop van tien jaar heeft gesponnen. Zijn boek is gebaseerd op ware gebeurtenissen, waarvan hij deels getuige is geweest, maar er staat wel ‘roman’ op het omslag.

Het eerste wat de auteur onder de loep neemt is die gemeenschappelijke school in Rome, een particuliere jongensschool op religieuze grondslag. Wat betekent het om op een school met alleen maar jongens te zitten, vraagt Albinati zich af. Wat betekent het om les te krijgen van fraters en paters? En wat is de Italiaanse kerk eigenlijk voor een eigenaardig instituut, dat de lof van de armoede zingt en ondertussen de belangen van de bezittende klasse veiligstelt? Met veel van zijn klas- en schoolgenoten, allemaal kinderen van bemiddelde ouders, is het slecht afgelopen: ze werden crimineel, terrorist, of eindigden in waanzin. (Behalve Albinati zat er trouwens nóg een toekomstige schrijver op school, Marco Lodoli.)

Hij haalt een van zijn vroegere leraren aan, volgens wie alle mannen in feite homo zijn.

Voor de auteur is het zonneklaar dat het schadelijk is om tot je achttiende, negentiende op een school te zitten waarbinnen ‘de helft van de wereld ontbreekt’: ‘Mannen die hun schooltijd net als wij [...] zonder meisjes hebben doorgebracht, zijn behept met iets excessiefs, iets maniakaals, zowel in hun schuchterheid als in hun bruutheid [...]’ Ook zussen zijn van cruciaal belang: ‘Ik waag het te beweren dat jongens die geen zus hebben, opgroeien tot mannen met een bevooroordeeld, bekrompen idee van de wereld.’

Mannelijk zelfbeeld

Na deze inleidende beschietingen begint Albinati met een grondige afbraak van het mannelijk zelfbeeld. Hij haalt een van zijn vroegere leraren aan, volgens wie alle mannen in feite homo zijn: je hebt hele homo’s, die zijn homo, ‘dat is logisch’, en je hebt halve homo’s, die ‘de godganse dag aan wijven denken, aan benen, rokjes, hoge hakken… is dat nou een mannelijke gedachte?’

Mannelijkheid is een eigenschap die een man, en zeker een adolescent, voortdurend moet bewijzen. Dat is een hachelijk spel, want één vergissing, één mislukking en je bent al je ‘moeizaam verzamelde punten kwijt’. Een stroom kleinerende grapjes over vrouwen en homo’s behoort in elk geval tot het vaste repertoire. En waartoe dient het om alle proeven te doorstaan en stoer, brutaal, viriel over te komen? Om de aandacht van mannen te krijgen. Behalve grofgebekt zijn schooljongens ook romantisch, schrijft Albinati, en zeer gevoelig voor de ‘mooie blauwe ogen’ van de ene klasgenoot en de ‘mooie brede schouders’ van de andere – alleen moet dit uiteraard kameraadschap heten. ‘We waren allemaal voor een deel homoseksueel, en voor het overige deel homofoob.’

Albinati is merkbaar beïnvloed door de theorieën van de psychoanalyse, maar noemt Freuds idee van de penisnijd een stommiteit. Vrouwen zijn absoluut niet jaloers op dat wispelturige lid, het ‘minst viriele gedeelte van de man’, dat ‘symbool van onzekerheid’. Voortdurend benadrukt de auteur dat mannen voor de andere sekse een aangeboren vrees koesteren, die minstens zo groot is als hun begeerte ernaar. Een man ervaart de vrouwelijke seksualiteit hoe dan ook als kwetsend: een kuise vrouw irriteert hem met haar afwijzing, een wellustige vrouw provoceert hem (en door de opkomst van de pil werd de seksuele zelfstandigheid van de vrouw in de jaren zeventig extra bedreigend), en de vrouw die in alle eer en deugd haar traditionele, monogame rol vervult, kleineert hem met haar ‘raadselachtige, ontzagwekkende’ moederschap. Tegenover haar vermogen leven voort te brengen stelt de man zijn vermogen te doden… Een vrouw moet boeten omdat zij de man heeft verleid zijn ascetische weg te verlaten, omdat hij zich door haar toedoen van de puur mannelijke autonomie heeft afgewend en in de ‘seksuele, amoureuze en familiale afhankelijkheid’ heeft gestort.

In de moord ziet hij ook een vorm van klassenwraak, met gefrustreerde rijke jongelui die de lagere klasse haar plaats wijzen ten tijde van snelle maatschappelijke veranderingen.

Met overvloedig uitgewerkte beschouwingen als deze stelt Albinati het Delict van de Circeo voor als een gebeurtenis die is ontstaan uit diepe, collectieve krachten, waarbij hij de psychologie van de individuele daders relatief onbesproken laat. In de eerste plaats benadert hij het misdrijf als een straf die mannen vrouwen opleggen om hun eigen seksuele onzekerheid te verhullen, maar hij ziet er ook een vorm van klassenwraak in, met gefrustreerde rijke jongelui die de lagere klasse haar plaats wijzen ten tijde van snelle maatschappelijke veranderingen. En in een analyse van het Italiaanse neo-fascisme bekijkt hij het misdrijf als een afstraffing van de zwakheid, zoiets als de kwelling van een weerloos dier door een kind (‘ze roken bloed’).

Schrijfdwang

Het jaar 1975 is een obsessie voor Albinati. Uitweiding volgt op uitweiding, in een schrijfdwang die lijkt te zijn ontstaan uit het besef dat het wezenlijke van de gruweldaad ongrijpbaar is. De katholieke school telt bijna 1500 bladzijden, en ik had graag gezegd dat niet één ervan saai was – dat is helaas niet het geval. De door psychoanalyse en feminisme (‘het origineelste en langdurigste politieke discours van de twintigste eeuw’) geïnspireerde essayistische stukken bevielen me beter dan de monotone reflecties over de middenklasse, die volgens Albinati, zelf een zoon van de bourgeoisie, volledig is gericht op het verwerven van meer kapitaal en het ophouden van de schijn.

Illustratie: Joost Hölscher

Het door hem geschetste beeld van de rancuneuze burgerij die smacht naar de voorrechten van de hogere klasse terwijl haar grootste angst is dat de kloof met de lagere klasse versmalt, en die in tijden van crisis het vurigste fascisme aanhangt, is misschien wel iets te bekend om er lang bij stil te staan. En waarom zou Albinati dat ook doen, wanneer hij zijn beschouwing kan illustreren met persoonlijke herinneringen zoals aan een lugubere, zwartgejaste jongeman, lid van een knokploeg, te gast bij Edoardo’s fascistische opa, die de dertienjarige jongen op geheimzinnige toon vraagt: ‘En jij, heb jij je keuze al gemaakt?’

Ook treffend is de jarenlang opgekropte woede van Albinati’s oma nadat de schrijver bij het opstellen van de overlijdensadvertentie voor zijn vader diens titel niet vermeld heeft. ‘Dat Ing. maakte voor haar het hele verschil, in dat Ing. lag de betekenis van een heel leven (ik kan haar eigenlijk geen ongelijk geven), en dat we dat niet voor de naam van de overledene hadden opgenomen was als een schending van zijn stoffelijk overschot.’

Dergelijke observaties leggen wat mij betreft meer gewicht in de schaal dan de lange analyse van de middenklasse en het middenklassegezin. Ja, soms kreeg ik even genoeg van Albinati’s generaliseringen en apodictische toon. Bovendien vond ik het onbegrijpelijk dat hij in zo’n dik boek vrijwel niets over de twee slachtoffers van de fascistische daders vertelt; had hij Rosaria Lopez en Donatella Colasanti niet een grotere rol dan die van lijdend voorwerp kunnen geven?

Aan seks denken

Het zijn vooral Albinati’s persoonlijke verhalen, over belevenissen op school en in zijn latere leven, die dit boek geslaagd maken. Deze schrijver is een fascinerende figuur, wiens karakter eerder door zelfhaat – als man, als bourgeois, als Italiaan – dan door eigenliefde gekenmerkt lijkt te worden. Heel geleidelijk komen we meer over hem te weten: hij geeft al twintig jaar les in de beruchte Rebibbia-gevangenis in Rome, hij is zeer verstrooid, zeer intelligent, lijdt aan slapeloosheid en denkt altijd aan seks (vandaar die verstrooidheid waarschijnlijk). Hij is gescheiden en heeft kinderen. In zijn leven telt alleen ‘de vrouw, een vrouw, die ene vrouw. Mijn hele leven heb ik niets anders verlangd dan een vrouw te hebben. Zodra ik uit de liefdevolle armen van mijn moeder kwam, droomde ik alleen maar van een nieuwe omhelzing.’ En hij is een eeuwige buitenstaander: ‘Ik heb nooit collega’s gehad, noch kameraden, noch makkers, afgezien van mijn schoolmakkers. En misschien is dat dan ook de reden dat ik het over de schooltijd heb.’ Aan het slot volgt nog een intieme, aangrijpende, in retrospectief onvermijdelijke onthulling.

De katholieke school is een bekwaam, bij vlagen voortreffelijk geschreven boek. Diepzinnig? Zeker. Ik denk dat het een leeservaring is die me bij zal blijven. Toegegeven, dat komt ook door de omvang van het boek. Kwantiteit is ook een kwaliteit, zei Stalin.

    • Marco Kamphuis