Recensie

Hoe een hedendaagse westerse vrouw uit haar kooi ontsnapt

Peter Terrin

Ze heeft een kind, een relatie en een goede baan, maar op een dag besluit Astrid, hoofdpersonage in Patricia, niet meer naar huis terug te keren. Een aantrekkelijke roman, schrijft onze recensent (●●●●).

Illustratie: Paul van der Steen

Dit is de openingsalinea: ‘Ik trok de deur van het huis dicht. Ik deed het precies zoals altijd, met op het eind een vinnige ruk. Ik liep beheerst het paadje af en ontgrendelde vanaf dezelfde afstand mijn auto. Als de zoon van de overburen in zijn kamer was, zou hem niets opvallen, alles klonk zoals het anders klonk. Ik startte de wagen, deed mijn veiligheidsriem om en reed weg.’

Zo clean, zo helder, zelfbewust, gedecideerd begint Patricia, de deze week verschenen nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Peter Terrin (1968). Handelingen. Beschrijvingen. Controle.

Alles is wat het lijkt, zo lijkt het. En ondertussen voel je wel dat je romancier Terrin moet wantrouwen. Gauw genoeg blijkt dat er onderhuids meer aan de hand is: Astrid, de vrouw die haar huis verliet en wegreed, heeft iets wat je een zenuwinzinking zou kunnen noemen. Er is een ramp voorgevallen: in de stress voorafgaand aan een groot evenement dat zij organiseert, terwijl ze haar huilende, schreeuwende zoontje Louis in bad deed, legde ze haar telefoon op de badrand, stootte ertegen en verdronk het ding.

‘Mijn telefoon was dood.’ Dood. Een moment later dringt door wat dat betekent: rust. ‘Ik was als het ware van de aardbol verdwenen. Ik voelde me kalm en keek een tijdje naar de zwarte vogels, die ten slotte een voor een wegvlogen.’

Haar zoontje laat ze achter in bad, maar ze gaat voorlopig niet meer terug: iedere minuut die ze weg is, wordt het moeilijker om terug te keren naar de kooi die haar leven was. De puzzelstukjes van een verklaring voor haar ‘ontsnapping’ volgen elkaar op in Astrids mijmeringen: haar dominante echtgenoot, klein kind, stressvolle baan, streberige omgeving. Eenvoudig opgegroeid, ambitieus tot wasdom gekomen, en nu min of meer slachtoffer van de veeleisende wereld, van haar sociale mobiliteit. Alles wijst erop dat Patricia een zedenschets van de gegoede hedendaagse westerse vrouw is, die een cruciale stap naar vrijheid uitprobeert.

Ik, Astrid

Dat lijkt een enigszins conventioneel verhaal, zeker voor Terrins doen. Maar het spel met je verwachtingen wordt dan al gespeeld.

Want wat betekent die scène waarin Astrid ’s avonds terug nabij huis is, nadat ze haar echtgenoot heeft geschaduwd en achtervolgd (en zich ervan vergewist dat haar zoontje niet verdronken is) en ze terechtkomt op een pad achter de huizen, en in een oplichtend slaapkamerraam zichzélf denkt te zien? ‘Voortdurend was ik de vrouw die door de slaapkamer liep nadat ik mijn juwelen op het kastje had gelegd. Het was ik, Astrid, die op weg naar de badkamer de speld uit mijn haar nam.’

Het duizelt haar en ons – maar algauw schudt ze de zinsbegoocheling en twijfel van zich af. En dan voert haar tocht verder, langs een vriendin van vroeger, een buitenwijk waar ze lastiggevallen wordt door ongure types en vervolgens van hen verlost door een voorbijganger, de jonge fotograaf Roman, met wie ze een poosje optrekt, die ze nadert, met wie ze intiem wordt. Astrid, die al bestraffend aangekeken werd door haar man als ze een avondje uit de band vloog, wentelt zich in vrijheid.

Maar ze mijmert ook over haar terugkeer: echt verlost is ze niet. Hoe zou het nú, dagen later, zijn als ze weer huiswaarts keert? Welke smoezen kan ze verzinnen? Ze schrikt bovendien wanneer ze een opsporingsbericht op televisie ziet, voor háár. Zo vrij als ze zich waande, zo bespied voelt ze zich nu – maar erg veel spiedende blikken zijn er nou ook weer niet, moet ze toegeven, niemand lijkt haar te herkennen. Willen ze haar wel écht terugvinden? En waarom staat, weer dagen later, haar naam in een overlijdensadvertentie in de krant? En waarom heet de roman eigenlijk Patricia?

Streven en aanvaarden

Tegen die tijd, voorbij de helft, is het conventionele er in Patricia wel af. Dan is het duidelijk dat uit met name die raadselen een onvervalste Peter Terrin-roman wordt opgetrokken, en misschien wel zijn aantrekkelijkste tot nu toe.

Patricia is een Terrin-roman die je gemakkelijk meevoert, die niet het ostentatief ingenieuze heeft van Post Mortem (2012), en waarop je misschien wat minder hoeft te kauwen dan op Yucca (2016). En waarin nog iets meer spanning zit, iets meer op het spel lijkt te staan, dan in Monte Carlo (2014). Vaste Terrin-waarden – een diepte dankzij raadselachtigheid of zelfs onverklaarbaarheid – zijn gewoon aanwezig, zij het wat onnadrukkelijker. Anders gezegd: Peter Terrin is zo’n schrijver die elke keer dezelfde roman schrijft, maar ditmaal doet hij dat bijna ongemerkt.

Signalen van een zinsbegoocheling en een dubbelgangersperspectief kon je wel opmerken, maar ook links laten liggen, zoals Astrid. Pas wanneer het tweede deel aanbreekt, op tweederde, speelt Terrin die troeven uit. En dat doet hij tamelijk verbluffend: het verhaal gaat verder, maar het relaas uit het eerste deel, waaraan je nauwelijks twijfelde, komt dan tegenover een alternatieve werkelijkheid te staan, wat zowel volstrekt verrassend als onontkoombaar voelt.

Onder de oppervlakte speelde nóg meer. Maar terugbladeren, zoekend naar puzzelstukken, lijkt zinloos. Vooruit moet je, al ga je misschien vooral voort uit een gevoel van solidariteit met het hoofdpersonage: zij kan ook niet terugkijken en zoeken naar wat ze misschien gemist heeft. ‘Iets wat onmogelijk was, was toch gebeurd. Een mens zoekt naar verklaringen, het is zijn natuur, maar ik vond er geen, ook later niet’, noteert ze. De vrouw voegt zich, toch.

En daar vindt de vorm de inhoud, daar raakt de zinsbegoocheling die aan de verteltechniek te danken is, aan het verhaal dat de roman te vertellen heeft. Patricia toont dat ontworteling geen kwestie is van even weglopen, het is een roman over streven en berusting, over keurslijven en rolpatronen; en daarmee wordt het toch ook nog die zedenschets van een hedendaagse vrouw. Door Terrins literaire vernuft wint die alleen maar aan zeggingskracht.

Ergens weerklinkt nog wat Peter Terrin vier jaar geleden in een NRC-interview zei: dat zijn toekomstige personages „minder strevend zullen zijn, omdat ze tot meer aanvaarding in staat zijn”. Berustend leek dat, maar dankzij Patricia krijgen ze een omineuze lading.

    • Thomas de Veen