Seymour Hersh, de ´pitbull van de journalistiek´, in zijn kantoor in Washington.

Foto: Lexey Swall

‘Ik word gedreven door haat jegens liegende smeerlappen’

Onthullingen

Onderzoeksjournalist Seymour Hersh maakte zich ongeliefd bij de machthebbers in Washington door zijn vele onthullingen. ‘Deze stad is momenteel maar in één kwestie geïnteresseerd: de val van de president.‘

Seymour Hersh oogt broos, in zijn kantoor in het centrum van Washington DC. Ik spreek de vermaarde onderzoeksjournalist tussen twee operaties door: ná die aan zijn schouder en vóór die aan zijn prostaat. Het gesprek, over zijn deze zomer verschenen memoires Reporter, is vanwege zijn gezondheid twee keer uitgesteld.

Hersh (81), zelfverklaard overlever uit het gouden tijdperk van de journalistiek, zit bij binnenkomst als een bezetene achter zijn computer te tikken. „Ga zitten,” mompelt hij, „dit moet af.” Dan, mij met een schuin oog aankijkend: „I know stuff, baby! Maar dat kan ik nu niet publiceren. Deze stad is momenteel maar in één kwestie geïnteresseerd: de val van de president. Daar moet alles voor wijken.” Hij houdt zich een halve tel in: „Wat heb je voor me.”

In Reporter schrijft hij over ‘de methode Hersh’: rustig beginnen. En dus informeer ik eerst naar zijn gezondheid. ‘Die operatie aan mijn schouder duurde twee uur,’ zegt hij. ‘Kostte 51.000 dollar. De gezondheidszorg in Amerika is een onderbelicht onderwerp. Ik kom nog niet thuis of ik blaas mijn prostaat op. Ouderdom is één grote ellende.’

Hij gaat staan, met een van pijn vertrokken gezicht. Hersh doet zijn reputatie als slechtst geklede journalist van Amerika eer aan: gympies, vaalgrijze trainingsbroek, onbestemd overhemd, zwarte pullover, ziekenfondsbril. „Je moet weten,” zegt hij, „dat ik mijn memoires eigenlijk niet wilde schrijven. Ik was bezig aan een ander boek. Dat ligt daar.”

Hij wijst naar stapels mappen en versies van hoofdstukken op zijn bureau. „Over Cheney. Ben ik vier jaar mee bezig geweest. Maar van publicatie komt het voorlopig niet. Als ik dat doe breng ik mijn bronnen in gevaar. En die zijn heilig”

I know stuff: tijdens het interview strooit Hersh met documenten en memo’s. Hij noemt namen van bronnen en de geheime informatie die ze hem hebben toegespeeld. Hij laat een ‘explosief dossier’ over de Clinton Foundation zien waar hij aan heeft gewerkt en praat mij bij over de militairen in de regering-Trump. Na twee uur duizelt het mij van de kennis - waar ik niets mee kan. Alles is off the record.

Zoon van joodse immigranten

En dan hangt ook nog eens de schaduw van collega Bob Woodward over het gesprek, wiens boek Fear over het eerste jaar van Trump net is verschenen, in een eerste oplage van 750.000 exemplaren. Reporter is weliswaar toe aan een vijfde druk, maar Hersh stelt koel vast dat dit in geen verhouding staat tot de megabestseller van Woodward.

Lees ook de recensie van Reporter. A memoir. De pitbull van de journalistiek (●●●).

Over het gouden tijdperk van de journalistiek gesproken: zo mooi als tijdens Watergate wordt het nooit meer. In Reporter wordt Hersh bijna sentimenteel als hij herinneringen eraan ophaalt: elke dag een verhaal, de regering-Nixon ging dwangmatig lekkend haar ondergang tegemoet. Dat mag dan zo zijn, Hersh begon wel met een achterstand van een half jaar op het illustere duo Woodward en (Carl) Bernstein van de Washington Post aan Watergate. Zijn krant The New York Times had het onderwerp onderschat. Hersh haalde die achterstand naar eigen zeggen weliswaar snel in met enkele pittige primeurs, maar zijn schandaal werd het nooit. Kenmerkend was de reactie uit het andere kamp na de eerste opening-krant van Hersh over Watergate. Hij werd telefonisch door Woodward gecomplimenteerd: ‘We kunnen het niet alleen.’ Met andere woorden: fijn dat hij aanhaakte. Hersh zegt nu Woodward ‘te respecteren’. Het is de enige keer tijdens het interview dat hij zuinig klinkt.

In Reporter reconstrueert Hersh op meeslepende wijze de primeurs waar zíjn naam aan is verbonden: de massamoord door Amerikaanse soldaten op burgers in het Vietnamese dorp My Lai (1969), het op grote schaal bespioneren van binnenlandse ‘staatsgevaarlijke elementen’ door de CIA (1974) en de mishandeling door Amerikaanse soldaten van Irakese gevangenen in de gevangenis Abu Ghraib (2004). Alleen al het hoofdstuk over My Lai (Finding Calley) maakt lezen van het boek tot verplichte kost voor iedere journalist: een schoolvoorbeeld van detectivewerk, inventiviteit en volharding.

En toch, die scoops vormen maar een deel van het verhaal. Reporter ontleent zijn kracht ook aan de worsteling van Hersh om de journalistieke top te bereiken en daar te blijven. Hersh, de zoon van een joodse immigranten met een winkel in het zwarte getto van Chicago, was een laatbloeier. Na het vroegtijdig overlijden van zijn vader nam hij de stomerij over. Hij studeerde een blauwe maandag rechten en was in 1968 campagnewoordvoerder van antioorlogskandidaat Eugene McCarthy, aan wie hij een prachtig hoofdstuk wijdt. Aan ‘My Lai’ werkte hij als freelancer. De New York Times liet het aanvankelijk aan zich voorbij gaan. Tussen de krant en de eigenzinnige Hersh boterde het niet, ook niet nadat hij er onderdak had gevonden.

Waarom niet?

„De journalistiek die ik bedrijf is niet makkelijk. Als ik een stuk inleverde meldde ik mij bij de hoofdredacteur met variaties op een thema: ‘Hier ga je geen vrienden mee maken.’ ‘Dit kost je abonnees.’ ‘Dit valt niet lekker bij de machthebbers.’”

Seymour Hersh, de ´pitbull van de journalistiek´, in zijn kantoor in Washington. Foto: Lexey Swall

U werkte lang en hard om een baan te krijgen bij de Times. Dat lukt, en dan houdt u het niet lang vol.

„Abe (hoofdredacteur Abe Rosenthal, red) eiste dat ik net zo veel van de krant hield als hij. Die liefde kon ik niet opbrengen. Ik schreef primeurs, kreeg lof en opslag na opslag. Ik vond het prachtig om voor de Times te werken, maar liefde: nee.”

Waar wrong het?

„Ik citeer Bill Kovach, een voormalig eindredacteur: ‘Een van mijn grootste problemen was het managen van Sy bij een krant die het haatte als anderen primeurs hadden, maar die liever zelf niet voorop liep.’ De Times laveerde tussen twee impulsen: de journalistieke van primeurs en het verlangen om tegen het establishment aan te schurken.”

Dat laatste is Hersh vreemd. Hij is een eenling, met bijna net zo veel tegenstanders in eigen gelederen als onder machthebbers. Intern werd hij uitgemaakt voor journalistieke gangster en terrorist. Als ik hem ermee confronteer schiet hij uit zijn slof.

„Dat verwijt achtervolgt mij al lang. Ik zou mensen onder druk zetten, karaktermoord plegen. Denk je echt dat generaals en politici met trillende hand een telefoontje van Hersh opnemen? Wat ik wel doe: lezen. Héél grondig voorbereiden. En degene die ik spreek met mijn kennis confronteren.”

Het een na laatste boek van Hersh is The Killing of Osama bin Laden (2016), een bundeling van vier artikelen die hij schreef voor niet-Amerikaanse media. Hij had met ruzie afscheid genomen van hoofdredacteur David Remnick van The New Yorker, nadat die had geweigerd het stuk van Hersh over de moord op Bin Laden te plaatsen. Artikelen die hij daarna schreef over het gebruik van chemische wapens in Syrië werden zacht gezegd sceptisch ontvangen. Volgens Hersh was mogelijk niet de Syrische leider Bashar al-Assad daarvoor verantwoordelijk, maar het Al-Nusra Front, een aan Al-Qaeda gelieerde terreurgroep.

Men beschuldigde u van sympathie voor Assad?

„Ten onrechte. Ik heb nergens beweerd dat Assad moet worden vrijgepleit, maar een alternatieve versie over het gebruik van chemische wapens voorgelegd. Die werd niet geaccepteerd. Hetzelfde geldt voor mijn interpretatie van de moord op Bin Laden: de geheime dienst van Pakistan werkte samen met de Amerikanen. Dat deed afbreuk aan het gangbare verhaal over de heroïsche soloactie van Amerikaanse elitetroepen. Mij werd in beide gevallen verweten dat ik tegen de regering-Obama was. Onzin. Ik was en ben tegen leugens.

Hoe vaak bent u bij Assad op bezoek geweest?

„Vijf of zes keer. Ik begrijp waar je heen wilt. Het contact beperkte zich tot zakelijke lunches.”

Heeft u begrip voor hem gekregen?

„Hij vecht voor zijn leven! Of beter: hij vocht voor zijn leven want hij heeft gewonnen. Hij vreesde te zullen eindigen als Mussolini, hangend aan een boom.”

Hij won mede dankzij de inzet van chemische wapens?

Op luide toon: „Ik ken een land dat tijdens een oorlog twee atoombommen gooide op een ander land. Assad is verwikkeld in een burgeroorlog. Denk je dat hij en zijn tegenstanders zich keurig hebben gedragen?”

Hersh zegt dat hij mij er ‘over twee minuten’ uitgooit. Ik opper dat hij eerder zelf een lunch buiten de deur voorstelde. Hij kijkt mij verbluft aan. Zegt dan: „Goed. We gaan.” We schuifelen naar een buurtrestaurant. Onderweg informeer ik naar de door hem bewonderde journalist David Halberstam, die voor de Times verslag deed van de oorlog in Vietnam. Wordt Hersh misschien net als Halberstam gedreven door… „Haat”

Ja. Hij jegens (oud-minister van defensie John) McNamara. U jegens (oud-minister van buitenlandse zaken en nationaal veiligheidsadviseur Henry) Kissinger en Cheney.

„Drie arrogante leugenaars. Ik schreef eerder een boek over Kissinger. Vrijwel onleesbaar, maar een bestseller want ik had het tij mee. Na Nixon, Watergate en Vietnam wilde iedereen meer weten over de smeerlappen die ons dit hadden aangedaan. Cheney heeft dit land met de inval in Irak net zo veel schade berokkend. Ook dat verhaal moet ooit worden verteld.”

In het restaurant bestelt hij staand een portie spaghetti met zeevruchten. Hij gaat pas zitten als het eten wordt gebracht. Hersh zegt dat Reporter ‘opmerkelijk’ goed is ontvangen: „Ik weet wel waarom. Veel recensenten vermoeden dat ik doodziek ben. Daarom schrijven ze lovend over een journalistieke legende, de schrik van Amerikaanse machthebbers. Het zijn veredelde necrologieën.”

Berichten over zijn naderende dood zijn voorbarig. Hij werkt aan een boek over de gevolgen van My Lai. Bij dat bloedbad werden tussen 347 en 504 ongewapende Vietnamese burgers door Amerikaanse soldaten vermoord. ‘My Lai was vreselijk. Oók voor Amerika. Het dringt nu pas echt door wat we allemaal in Vietnam hebben uitgespookt. My Lai is hier ook een trauma. Daar gaat het over.”

    • Menno de Galan