Foto Merlijn Doomernik

Louis Andriessen: ‘Ik ben de strikte regels een beetje ontgroeid’

Compositie Louis Andriessen componeerde een nieuw orkeststuk. NRC volgde hem een half jaar tijdens zijn werk. Donderdag gaat ‘Agamemnon’ in première bij het New York Philharmonic onder leiding van Jaap van Zweden .

Van zijn magnum opus De Materie tot zijn recentste opera Theatre of the World, in het oeuvre van Louis Andriessen wemelt het van historische figuren als de zeventiende-eeuwse atomist David Gorlaeus, de middeleeuwse mystica Hadewijch en de renaissance-geleerde Athanasius Kircher.

Opvallend: met uitzondering van Odysseus’ Women (1995) bleef de Griekse mythologie tot nu toe relatief onontgonnen terrein voor de componist. Het gevolg van een nogal moeizame gymnasiumperiode, vertelt Andriessen: „Het schoolhoofd zei: ‘Jij beschouwt het speelkwartier als het hoogtepunt van de dag’.”

65 jaar later achtte Andriessen de tijd rijp voor een inhaalslag. Toen het New York Philharmonic hem in 2016 de Kravis Prize for New Music toekende, begon hij zich voor de bijbehorende compositieopdracht een slag in de rondte te lezen over de Trojaanse oorlog. Een en ander leidde tot een nieuw orkestwerk, Agamemnon, dat op 4 oktober in wereldpremière gaat onder Jaap van Zweden.

NRC volgde het compositieproces op de voet. Een making of.

23 april 2017

„Componeren begint voor mij gewoonlijk met veel lezen en aantekeningen maken”, zegt Louis Andriessen (79) op zijn werkkamer aan de Keizersgracht. Op de vleugel naast zijn schrijftafel ligt een stapel boeken: onder meer de Ilias in een recente vertaling van Imme Dros, de Oresteia van Aischylos, Euripides’ Iphigeneia in Aulis en - „onvermijdelijk” - The Greek Myths van Robert Graves. „Daarin staan alle verbanden tussen die figuren tot in detail beschreven. Om knettergek van te worden.”

Al in een vroeg stadium raakte de componist gefascineerd door Agamemnon, aanvoerder van de Grieken in de Trojaanse oorlog. „Ik was meteen geboeid door die naam. Drie symmetrische groepjes van drie letters, dat heeft iets magisch. Ook de persoon intrigeerde me. Hij was een schurk, maar ook een groot heerser. Hij joeg mensen bij bosjes over de kling, was bijna bereid om zijn dochter Iphigeneia te offeren, maar welbeschouwd was dat allemaal om de eer van zijn broer te redden. Trouwens, hij was een echte vrouwenman. Dan wordt het interessant natuurlijk.”

Eigenlijk was Agamemnon een nogal ironisch geval wil Andriessen maar zeggen. „Dat bedoel ik overigens niet grappig. Mijn definitie van ironie is eerder filosofisch: alles draagt z’n tegendeel in zich. Dat geldt voor het leven, en zonder twijfel voor goede kunst. Daar is altijd meer aan de hand. De lach van Mona Lisa, daar valt helemaal niets te lachen. Dat voel je meteen.”

Of muziek ook ironisch kan zijn? „Natuurlijk. De Bolero van Ravel: een langgerekt crescendo, terwijl er eigenlijk helemaal niets gebeurt. Die dubbelzinnigheid maakt het tot een onbeschrijflijk complex stuk. Die paradox, iets dat tegelijkertijd iets anders is, die zoek ik ook in wat ik maak.”

Waarvan akte in het ‘liedje’ dat Andriessen componeerde voor Iphigeneia. „Dat ziet er nu heel fraai uit. Een beetje sentimenteel zelfs met dat ontroerende b-klein. Maar iets moois moet je niet ordinair laten worden, dat heb ik van Michel Legrand geleerd. Dus die begeleiding met dat scherpe ritme gaat nog een octaaf naar beneden. Het moet iets duisters krijgen. Die schat weet natuurlijk heel goed wat haar boven het hoofd hangt. Van de andere kant is ze ook een beetje een flirt.” Wa-wa-wa-waaa doen de blazers op een zwoel samba-ritme.

Openingsmaten van Liedje voor Iphigeneia in een vroege schetsversie.
Openingsmaten van Liedje voor Iphigeneia in een vroege schetsversie.

1 juni 2017

„In het verleden heb ik een aantal grote, streng-structurele stukken gemaakt. Daarin mocht heel veel niet en legde ik mezelf strikte regels op. Dat is leuk, maar ik ben het een beetje ontgroeid. In dit stuk ben ik vrijmoediger te werk gegaan. Hoewel, je moet wel blijven uitkijken. Als iedereen verwacht dat je naar links gaat, moet je meteen naar rechts. Dat wist Haydn al.”

Volgens Andriessen heeft Agamemnon veel te maken met filmmuziek: „Dat is een genre dat vraagt om monteren en snel wisselen. Je moet contrasten durven maken in sfeer en kleur. Ook de timing is belangrijk. In dit werk heb ik een filmische timing nagestreefd.”

Ter illustratie pakt hij de openingsmaten erbij, een oproep tot de strijd met schallende trompetten, grommende bassen en aanzwellende dondertrommels. Denk aan marcherend voetvolk en rollende strijdwagens. „Hobbelende paardjes”, aldus de componist. „Het is de kunst om zo’n passage net iets te lang op te rekken. Daarmee wek je de suggestie dat er ik weet niet wat te gebeuren staat. Een regisseur als Hitchcock zou het ook zo aanpakken.”

Ook veelzeggend voor het filmische karakter van de muziek is de opmerking ‘symfonische film’, die Andriessen in een vroeg stadium boven een aantekening krabbelde, al was het maar om het stempel ‘symfonisch gedicht’ voor te blijven. Die vergelijking ligt met een thematiek als deze natuurlijk voor de hand, geeft hij toe. „Toch dekt ze de lading niet. Ik werk niet met een gedetailleerd programma en ontwikkel geen narratief. Ik denk in beelden en korte karakterschetsen. Het publiek moet het doen met een lijstje met vijf dramatis personae. Meer geef ik ze niet.”

Neem Achilles. „Dat was toch wel een vrij geniaal ventje”, zegt Andriessen. „Hij kon heel goed overweg met de speer en ook ontzettend hard lopen. De snelvoetige, werd ie genoemd.” Bladerend in zijn schetsboek: „Ik ben net klaar met een passage waarin ik ’m laat rennen. Hier, die snelle loopjes boven dat hoekige basje. Nu lijkt het nog een pianostukje, maar ik ga het heel afwisselend orkestreren. Hij moet echt door het orkest hollen straks. Wat ik goed vind is dat de noten een heel ander karakter hebben dan je zou verwachten bij zo’n vechtersbaas. Het heeft iets lichts, bijna scherzo-achtigs.” Over ironie gesproken.

3 juli 2017

„Mijn broer Jurriaan, die ook componist was, heeft in de jaren vijftig eens een televisie-operaatje gemaakt. Dat was nieuw in die tijd. Uitgangspunt was een kort verhaal van Tsjechov, over een oude acteur die na een uitvoering van Shakespeares Troilus en Cressida in zijn eentje dronken staat te wezen op het toneel. Hij draagt het kostuum van Kalchas, de vader van Cressida. Kalchas verschijnt natuurlijk ook in de Ilias, als de waarzegger van de Grieken. Wat vreemd is, want als je de literatuur erop naslaat, blijkt hij eigenlijk een Trojaan die is overgelopen naar de vijand. Fout in de oorlog. Met al die aanknopingspunten stond voor mij vast dat Kalchas een plek moest krijgen in mijn stuk. Ik stelde me hem voor als een oude brompot die een beetje binnensmonds zit te mopperen.

„Hier krijg je dat gemompel op een presenteerblaadje aangereikt: twee bassleutels, parallelle kwarten. Die klinken zo laag nooit helemaal zuiver, maar dat is precies de bedoeling. Dat is echt Kalchas voor mij. Komt ie aan sukkelen hoor, natuurlijk te laat. Een beetje zoals Misha Mengelberg dat kon. Dat was geen mopperkont, maar hij kwam wel al-tijd mompelend te laat binnen. Liefst door de verkeerde deur.

„Ja ik denk dat Misha door mijn hoofd speelde, toen ik dit componeerde. Dat is ook niet zo gek, want hij is onlangs overleden, dus ik heb veel aan hem gedacht.”

De eerste maten van de sopraansaxsolo in een beknopte partituur.
De eerste maten van de sopraansaxsolo in een beknopte partituur.

24 juli 2017

„Een nieuw stuk betekent altijd een zekere mate van experiment. Ik vind het vervelend om dingen te doen die ik al kan. Voor Agamemnon heb ik mij daarom voorgenomen om grote verschillen te maken tussen stevige tutti’s en veel dunner bezette passages. Het wordt een partituur met hoekjes waar van alles gebeurt met slechts een paar instrumenten. Dat gemompel van Kalchas in de contrabassen bijvoorbeeld, zoiets is vrij nieuw voor mij.

„Er is een passage waar ik nu al trots op ben, vooral omdat ze nogal riskant is. Middenin het stuk begint een saxofoon plotseling een heel lange solo te spelen. Ik ben heel benieuwd hoe dat gaat werken, al weet ik zeker dat die solo op zich helemaal goed is. Er gaat een mooi soort non-bravoure vanuit, een bijna kinderlijke ontroering. Over de precieze instrumentatie zit ik nog een beetje te tobben. Ik dacht in eerste instantie aan een altsax, maar dat is me toch te gewoontjes. Het zou mooier liggen in het lage register van de sopraan. Dat gaat heel bijzonder klinken.

„Ik vertelde al eens dat ik het in dit stuk belangrijk vind om zoveel mogelijk shots verschillende kleuren te geven. Dat heeft te maken met de filmische connotaties. In een werk als De Tijd, waarin het gaat over duur en lengte, zou het bijvoorbeeld een gruwelijke misser zijn om veel te wisselen van instrumentatie, maar Agamemnon vraagt erom.

„Dat betekent concreet dat ik instrumenten moet uitsparen. Zo’n liedje van Iphigeneia, dat moet gespeeld worden door hobo’s, daar is geen speld tussen te krijgen. De melodie leent zich daarvoor. Die is een beetje knijperig en huilerig. Fluiten zouden dan veel te briljant zijn, klarinetten te soepel. Hobo’s dus, maar die gaan er alleen uitspringen als ik ze in het voorgaande niet te veel gebruik. En dan hebben we het nog niet eens over de begeleiding. Ik heb een soort liefdesrelatie met lage klarinetten, maar die gebruik ik ook al onder die solo. Dus misschien daar dan toch maar fagotten. Je ziet, het is nog even een puzzel.”

22 september 2017

„Vroeger was het heel modieus om twee bij elkaar passende beeldjes op de schoorsteenmantel te zetten. Een herdertje en herderinnetje bijvoorbeeld, een pendant heette dat met een deftig woord. Ik vermoed dat Agamemnon ook een pendant vormt met mijn vorige orkestwerk Mysteriën. Het zijn in zekere zin tegenpolen. Een woest duiveltje en een verheven engeltje. Zoiets.”

Toch hebben de twee composities, nog afgezien van hun gedeelde symfonische bezetting [zie inzet, red.], ook veel met elkaar te maken. Beide stukken voeren terug naar bronnen van de Westerse cultuur: de Griekse mythologie in Agamemnon, de christelijke spiritualiteit in Mysteriën. „Die twee horen natuurlijk bij elkaar”, zegt Andriessen. „Beide zijn een soort oerfictie en dat bevalt mij zeer goed als kunstenaar. Kijk, ik heb een goede katholieke opvoeding gehad en dat was een uitstekende leerschool in het omgaan met de fantasie. De verbeelding is voor mij oneindig veel belangrijker dan de realiteit, of zoiets als ‘het nieuws van de dag’. Ik heb steeds meer met het ‘ouds’, om het zo maar eens te zeggen.”

    • Joep Christenhusz