Foto Sander Koning/ANP

Michiel van Erp: ‘Het leven begint pas na je studententijd’

Interview Michiel van Erp maakte met ‘Niemand in de Stad’ een rauwe, realistische film over het studentenleven. „Het moet echt zijn.”

Nee, hij was zelf geen corpsbal, vertelt regisseur Michiel van Erp afgelopen zomer om de hoek bij een van de Amsterdamse studentenroeiverenigingen. „Maar ik heb wel al sinds mijn achttiende een relatie met een echte corpsbal.” En toch is Niemand in de stad heel persoonlijk. De fictiefilm is gebaseerd op de gelijknamige semi-autobiografische roman van Philip Huff die zijn eigen studententijd herinnert, maar Van Erp verwerkte er ook eigen ervaringen in. De film opende afgelopen week het Nederlands Filmfestival.

Niemand in de Stad is het speelfilmdebuut van Van Erp. De erfgenaam van Bert Haanstra maakte al eerder de tv-serie Ramses, over zanger Ramses Shaffy, maar is vooral bekend als documentairemaker. „Als ik erop terugkijk gaan al mijn films over mensen die proberen het leven te snappen, en zich vervolgens afvragen of dat wel het leven is wat ze willen leiden. Dat was ook het hoofdthema van Ramses, al was hij vooral degene die anderen aanspoorde hun eigen keuzes te maken, terwijl hij dat minder goed kon. Natuurlijk vroeg ik me toen af hoe mijn leven eruit zou hebben gezien als ik toen ik jong was iemand als Ramses was tegengekomen.

Niemand in de stad vertelt het verhaal van jonge mensen die denken dat ze er al zijn, en erachter komen dat er in het leven nog veel meer verleidingen en ervaringen zijn. Het leven begint misschien pas veel later dan je studententijd. Sleutelscène voor mij is nog steeds hoe Jacob aan Philip uitlegt waarom er geen ramen in de sociëteit zijn: zodat ze niet naar buiten hoeven te kijken. Niemand in de stad is een coming-of-ageverhaal over mensen die wel naar buiten moeten gaan kijken.”

‘Je voelde je volwassen’

Van Erp weet nog goed dat hij zich toen hij 18, 19 was ook al heel volwassen voelde. „En ik had ook best wel wat meegemaakt. Maar tegelijkertijd wist ik natuurlijk helemaal niets. Ik studeerde industrieel ontwerpen in Delft, heb daarna een paar jaar als acteur gewerkt, en pas toen ik ging filmen wist ik dat dat het was.” Dankzij zijn partner kent hij het studentenwereldje goed. Maar erbij horen is niets voor hem. „Ik wil helemaal niets vinden als groep. Daar word ik heel opstandig van.”

Maar, zegt hij: „Het verenigingsleven is de arena. Niet het onderwerp.” Dat studentenverenigingen de afgelopen jaren na schandalen bij het Groningse Vindicat of het Leidse Quintus in een negatief daglicht zijn komen te staan beseft hij maar al te zeer. „Het is geen aanklacht. Eerder het tegenovergestelde. Ik ken de verhalen, ook van nabij. Maar het ging mij om dat proces van leren volwassen worden.”

Lees ook de recensie van ‘Niemand in de Stad’: Corpsballen zijn mensen in Van Erps ‘Niemand in de stad’

Tijdens het maken van de film werd hij door dezelfde nieuwsgierigheid gedreven als tijdens het produceren van zijn documentaires. Hij houdt ervan, zoals hij dat noemt, om „bij mensen naar binnen te kijken”. En het moet ‘echt’ zijn: „Echte levens, echte studentenkamers, die echte zooi, die echte troep. En de acteurs: die moeten ook echt zijn. In het moment echt op elkaar kunnen reageren, los van wat er in het script staat. Mijn plezier in film is kijkers meesleuren, verwarren.”

Dat doet hij door te „ontregelen”. En door zich „heel erg in te leven in de mensen die hij gaat filmen”. Hij is altijd op zoek naar „een soort realisme”. Om die reden voegde hij ook een aantal Rineke Dijkstra-achtige portretscènes in zijn film waarin acteurs en figuranten in een tableautje even recht te camera in kijken. Alsof de tijd voor even bevroren is.

Vanzelfsprekende chemie

Niemand in de stad is meer nog dan de film van hoofdpersoon Philip (Minne Koole), de film van drie vrienden: Philip, Matt (Jonas Smulders) en Jacob (Chris Peters), die ieder een deel van dat volwassen worden, jezelf vinden (en verliezen) en je losmaken van je jeugd vertegenwoordigen. Zonder dat Van Erp het wist toen hij hen castte, bleek het drietal al lang bevriend, wat zorgt voor een vanzelfsprekende chemie op het doek.

Ondanks de laconieke toon en de studentikoze humor, is Niemand in de stad up-to-date als het gaat om kwesties als status, geld, schulden, studievertraging en de prestatiedruk waar studenten onder te lijden hebben. Faalangst en zelfmoord zijn de keerzijde van dat ogenschijnlijk vrije leventje. „Ik denk dat je eigenlijk je hele leven blijft zoeken. In mijn omgeving zijn er genoeg mensen al aan het uitrekenen hoeveel jaar ze nog moeten werken voor hun pensioen. Terwijl ik denk dat je in elke fase van je leven met dezelfde grote vragen wordt geconfronteerd. Maar het hangt er ook vanaf hoe je ermee omgaat. Op de middelbare school heeft mijn beste vriend een einde aan zijn leven gemaakt. Dus ik ken die zwartste kant van het adolescentenbestaan van zeer nabij. Niemand wist waarom hij het gedaan heeft. Niemand had het zien aankomen. Ik herinner me nog dat ik toen zei: ‘Ik hoop dat hij precies gedaan heeft wat hij in zijn hoofd had, en zo wil ik me hem ook herinneren.’ Wat niet wil niet zeggen dat je daar de rest van je leven niet periodiek met heel veel verdriet aan terugdenkt. Maar volwassen worden is ook met het onbegrijpelijke leren leven.”

    • Dana Linssen