Opinie

    • Frits Abrahams

Buddingh’ eet met Sontrop

Denken aan de dood doe je niet alleen bij actuele sterfgevallen. De dood kan ook even zijn grauwe gezicht laten zien in situaties waarin je hem niet had verwacht. Terloops, in het voorbijgaan, te midden van de dingen van de dag.

Je moet er misschien een zekere leeftijd voor hebben. Wie jong is zal het niet zo snel opmerken – die gaat zelf voorbij, in haast, zonder op of om te kijken.

Ik schreef laatst over een voetbalwedstrijd van het Nederlands elftal, die ik in 1961 met mijn ouders en mijn broer bezocht. Nederland-Hongarije in een zonnig, uitverkocht Feyenoordstadion. Later zag ik schimmige zwartwitbeelden van die wedstrijd op YouTube. Opeens besefte ik: de meesten van al die toeschouwers zijn er niet meer, net als die voetballers. Iedereen had zich erg druk gemaakt, maar was nu voorgoed verdwenen.

In die dagen las ik ook onderstaand sonnet van C. (Kees) Buddingh’ (1918-1985). Het gaat niet over de dood – en voor mij indirect toch wel. Het heet ‘Eten met Theo Sontrop’ en is afkomstig uit de bundel De tweede zestig uit 1979.

Waar, Theo, bleef de tijd, dat we elke week

een slokje gingen drinken, een hapje eten.

Bij Berkhoff soms, maar meestal in De Tap,

om drie uur moesten we allebei weer terugwezen.

Jij vier deuren verder, ik op ’t Instituut.

We hebben wat afgeboomd en afgelachen.

’k Verslikte me soms bijna in mijn pils,

terwijl jij gniffelend je Gitanes pafte.

Er bleef maar bitter weinig overeind

van onze vaderlandse scribentenbent.

‘Gebakken lucht’, om met Rein Dool te spreken.

Rustig, bedachtzaam, haast sacramentaal

spijkerde jij ze aan de martelpaal.

We moesten weer ’s wat vaker samen gaan eten.

Rein Dool is een beeldend kunstenaar en graficus uit Dordrecht. Met ‘’t Instituut’ doelde Buddingh’ op het Instituut voor Tolk en Vertaler van de Universiteit van Amsterdam, waar hij in de jaren zestig en zeventig les gaf in vertalen.

Theo Sontrop leerde hij kennen toen die bij uitgeverij Van Ditmar werkte. Sontrop bracht hem op het idee een poëzielexicon samen te stellen. „Voor Buddingh’”, schrijft zijn biograaf Wim Huijser in ‘Dichter bij Dordt’, „waren er inmiddels steeds meer redenen om de hoofdstad te bezoeken. De dagen waarop hij les gaf boden een mooie gelegenheid om met Theo Sontrop af te spreken in Arti.”

‘Eten met Theo Sontrop’ hoort niet tot de bekendste gedichten van Buddingh’, maar toch trof het me door zijn weemoedige toon. Je ziet ze zitten, daar in De Tap, ginnegappend om al die zichzelf overschattende collega-schrijvers. Sontrop zal de nodige snijdende anekdotes hebben opgedist. Ze waren toen nog in de bloei van hun literaire leven, zeker Sontrop, die dertien jaar jonger was en pas 32 jaar na hem overleed.

Uit de slotregel spreekt een zekere spijt, alsof ze elkaar minder zien dan Buddingh’ zou willen. In 1978 zou Buddingh’ een vernietigende aanval van W.F. Hermans krijgen op zijn dagboeken. „Het leek wel of het mes van de guillotine naar beneden kwam”, zei Sontrop er later over. „Maar het was niet zo dat je meteen de telefoon pakte. Het was zo kwaadaardig dat je bevangen werd door verlegenheid.”

De leukste jaren waren achter de rug.

    • Frits Abrahams