Zij waren pioniers in een mannenwereld

Vrouwelijke artsen

De Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen bestaat 85 jaar. In 1927 werd de eerste vrouwelijke hoogleraar Geneeskunde benoemd. Er werkten toen 175 vrouwelijke artsen in Nederland, 5 procent van het totaal in die tijd. Nu is dat meer dan de helft. Twee vrouwen van in de tachtig vertellen over een leven als arts, moeder en vrouw.

Riet Ansink (87): "Van discriminatie heb ik nooit iets gemerkt." Foto Lotte Schrander

Riet Ansink (87) ‘De patiënten noemden me soms zuster’

Riet Ansink (87) was van haar 49ste tot haar 60ste dé bacterioloog voor drie ziekenhuizen in Amsterdam. Ja, ze werd wel ‘zuster’ genoemd door patiënten, al was ze het hoofd van de afdeling microbiologie. Maar dat vond ze niet erg. „Ik voelde me altijd op waarde geschat. Van discriminatie heb ik nooit iets gemerkt.”

Het was een zwaar vak, zeker voor iemand die er op haar 49ste mee begon. Ze werd bij nacht en ontij opgepiept om een bacterie te komen beoordelen. Dan weer in het Emma Kinderziekenhuis, dan weer in het Sint Lucas Andreas ziekehuis of het Burgerziekenhuis. Soms ook op Schiphol, als er een reiziger met hoge koorts aankwam. „Ik kende alle telefooncellen in de stad en had altijd kwartjes op zak om te kunnen bellen. Je werd opgepiept en moest dan het ziekenhuis bellen.”

De carrière van haar man, neuroloog, ging vóór haar loopbaan. Dat sprak vanzelf in de jaren vijftig. Ansink leerde haar man kennen tijdens de studie geneeskunde. Ze trouwden twee maanden na haar afstuderen. Ze kregen al snel kinderen, vier in totaal. „Ik werkte een paar uur per week op de EHBO. Ik vond dat leuk, naast het moederschap. Hij werkte fulltime met een praktijk aan huis. Wij dachten toen niet: Je moet nét zo veel kansen krijgen als je man. Dat kwam niet in ons op. Wanneer ik werkte, pasten stagiaires van de huishoudschool op de kinderen. Mijn moeder gaf daar les. Dat ging prima.”

Toch was ze een uitzondering, als werkende moeder. „De moeders van andere kinderen op het schoolplein waren huisvrouw. Ze keken ook altijd een beetje naar mijn kinderen met een blik van ‘die zullen wel worden verwaarloosd’. Maar ik hield me niet bezig met andere moeders, ik had er geen tijd voor. Zo wás het gewoon bij ons: mama werkte ook.”

Pas op haar 45ste, toen de kinderen groot waren, specialiseerde ze zich als microbioloog. „Mijn man heeft me altijd gestimuleerd.” Hun beider moeders waren werkende vrouwen, weduwes. Vandaar, vermoedt Ansink, dat zij én haar man het vanzelfsprekend vonden dat ze ook zou werken.

Het grote verschil met de vele jonge vrouwelijke artsen nu, zegt ze, is dat zij aan minder eisen hoefde te voldoen toen ze jong was. Als je nu je punten niet haalt in de opleiding, vlieg je er zo uit. Dan is kinderen erbij krijgen, zoals mijn generatie wel deed, bijna onmogelijk.”

Wat ze ook deden, in Ansinks tijd, was veel thuis zijn. Niet uitgaan, of reizen. „We waren honkvast. Pas na ons pensioen zijn mijn man en ik gaan reizen.”

Corrie Hermann (86): “Als een kind ziek was, kwam het niet in ons op om de vader een dag thuis te laten blijven.” Foto Lotte Schrander

Corrie Hermann (86) ‘Carrière maken kon je in die tijd alleen als je ongetrouwd bleef’

In de jaren vijftig, tijdens haar stages in ziekenhuizen, waren er weleens patiënten die niet door een vrouw behandeld wilden worden. Nu hoort Corrie Hermann (86) van jonge vrouwelijke artsen het tegenovergestelde: dat sommige patiënten juist líéver een vrouw aan het bed hebben staan. Dan voelen ze zich meer op hun gemak.

Hermann werd in 1959 lid van de Vereniging Nederlandse Vrouwelijke Artsen, een soort „tegenhanger voor het old boys network” in de medische stand destijds. Hermann: „We vormden een netwerk, hielpen elkaar aan informatie over banen en steunden elkaar.” Inmiddels komt ze er vooral voor de gezelligheid; vrouwelijke artsen zijn nu in de meerderheid.

Ze wil niet als pionier worden bestempeld, al is ze dat wel een beetje. Tijdens haar studie, die begon in 1950 in Utrecht, werd ze lid van Unitas, een ‘gemengde studentenvereniging’. Maar van de honderd nieuwe leden waren er vijf meisjes. „Daar keek ik wel even van op.” Haar ouders en zij vonden het vanzelfsprekend dat zij, als meisje, zou gaan studeren.

Haar man leerde ze kennen tijdens de studie geneeskunde. Hij werd internist, zij werd jeugdarts bij het consultatiebureau. „Mijn werk was in deeltijd te doen, waardoor ik het kon combineren met het moederschap.” Ze kregen vier kinderen – twee tijdens de studie en twee daarna. De carrière van haar man ging lijnrecht omhoog; die van haar niet. „Dat kon voor een vrouw in die tijd alleen als je ongetrouwd bleef.” Wie trouwde, verloor haar baan.

Maar Hermann heeft zich nooit een seconde verveeld. Ze gaf les aan de huishoudschool, was jeugdarts en vond later een baan als toets-ontwikkelaar bij Cito in Arnhem, nadat haar man in het Arnhemse ziekenhuis was gaan werken. Veel later, in 1984, promoveerde ze op de zwakke beroepspositie van de vrouw. Haar conclusie was dat slechts één factor de vrouw belemmerde in haar opmars: kinderen krijgen. „En dát is in Nederland nog steeds een beetje zo”, constateert Hermann. Tenzij de vader deelt in de opvoed- en huishoudelijke taken. „Er is ook een hoop verbeterd. Als een kind ziek was, kwam het niet in ons op om de vader een dag thuis te laten blijven. Nu gebeurt dat in veel gezinnen wel.”

In de jaren tachtig ging ze zelf fulltime werken, na haar echtscheiding. Ze werd directeur van de GGD in Castricum en bleef dat tien jaar lang. Had ze nooit moeite met de hiërarchische verhoudingen in de zorg? „Nee, de hiërarchie is nodig omdat artsen een grote verantwoordelijkheid hebben. Je neemt soms beslissingen over leven en dood. Je wilt geen fouten maken.” Eén inschattingsfout die ze zelf maakte, is haar altijd bijgebleven. Een bekende zwerver uit Castricum lag dronken op de stoep bij een huisarts. De huisarts had de politie gebeld – „hij is weer dronken” – die hem meenam. Hermann moest, zoals gebruikelijk, de arrestant bekijken. Hij had een buil op zijn hoofd, maar verder leek er weinig aan de hand. Hij is die nacht overleden in de cel en bleek een hersenbloeding te hebben gehad. „Ik had dat niet geconstateerd.” Ze heeft zich er lang slecht over gevoeld.

Na haar pensioen werd Hermann gevraagd door Paul Rosenmöller om zich te kandideren voor de Tweede Kamer; ze was lid van GroenLinks. Tot haar grote verbazing kwam ze erin, tegelijk met debutant Femke Halsema. „Ik weet nog dat ik de eerste dagen voorzichtig om me heen keek. Maar Halsema niet hoor. Ze stapte meteen achter de microfoon en ging allemaal vragen stellen aan Wim Kok. Zo mooi dat ze nu de eerste vrouwelijke burgemeester van Amsterdam is.”

    • Frederiek Weeda