Frankrijk en Duitsland willen wel militair samenwerken – maar de verschillen zijn enorm

Defensie Frankrijk en Duitsland maken noodgedwongen werk van militaire samenwerking. Ondanks de enorme verschillen in militaire en politieke cultuur.

Duitse tanks doen mee aan de 'Strong Europe' Tank Challenge 2018, op 8 juni in het Duitse Grafenwöhr. Foto Filip Singer/EPA

Duitsland zou misschien aan een vergeldingsactie in Syrië moeten deelnemen als president Assad weer chemische wapens inzet, opperde bondskanselier Merkel onlangs voorzichtig. „Van tevoren ‘nee’ zeggen, wat er ook in de wereld gebeurt, kan niet de Duitse houding zijn.” Frankrijk nam al in april aan vergeldingsbombardementen deel.

De leider van Merkels coalitiepartner SPD, Andrea Nahles, reageerde meteen. En wel met een duidelijk ‘nee’. Einde discussie.

Frankrijk en Duitsland beseffen allebei dat Europa dringend voor zijn eigen defensie en veiligheid moet gaan zorgen, nu de aanwijzingen steeds sterker worden dat de Verenigde Staten die rol niet meer willen spelen. Maar de militaire en politieke cultuur in beide landen verschilt enorm.

Dat maakt een gezamenlijke Frans-Duitse voortrekkersrol bij het versterken van de Europese defensie buiten de NAVO tot een moeizame onderneming. Toch maken ze er nu werk van, gedwongen door de omstandigheden.

Parijs schrikt niet terug voor militaire interventies. Het belang van een sterke krijgsmacht staat nauwelijks ter discussie. En de macht over inzet van het leger is geconcentreerd bij de president.

In Duitsland ligt dat allemaal anders. Niet alleen heeft de bondsrepubliek een zogeheten Parlamentsarmee, een strijdmacht die alleen met goedkeuring van de Bondsdag in het buitenland kan worden ingezet. De Duitse strijdkrachten kampen ook met grote materiële problemen en de defensie-bestedingen zijn jarenlang ver achtergebleven bij de NAVO-norm van 2 procent van het bruto binnenlands product.

Al ten tijde van Obama is Berlijn begonnen zijn defensie-bestedingen te verhogen. Die ontwikkeling wordt nu versneld voortgezet. Men wil in 2024 op 1,5 procent komen, nog altijd ver onder de NAVO-norm.

Maar hoe sterk Duitsland zijn defensiebegroting ook verhoogt, er is meer nodig om op veiligheidsgebied een gelijkwaardige partner van Frankrijk te worden.

De weerzin onder Duitsers tegen militair optreden hangt samen met de Duitse geschiedenis, vooral de Tweede Wereldoorlog. Anders dan Frankrijk, waar strategisch-politieke overwegingen altijd een grote rol spelen in het buitenlandse beleid, heeft de bondsrepubliek nauwelijks een strategische cultuur. Ja, dankzij de Duitse industrie is het land een grote wapenexporteur. Maar zélf met militaire middelen ingrijpen blijft politiek heikel.

De weerzin onder Duitsers tegen militair optreden hangt samen met de Duitse geschiedenis, vooral de Tweede Wereldoorlog.

Toen Duitse militairen in 2009 al jaren actief waren in Afghanistan, doorbrak de toenmalige minister van Defensie een taboe toen hij het waagde het woord ‘oorlog’ in de mond te nemen en te verklaren dat de Bundeswehr met ‘oorlogsachtige toestanden’ werd geconfronteerd. Inmiddels benadrukt Merkel regelmatig dat Duitsland internationaal meer verantwoordelijkheid moet nemen – ook militair. Zo zijn de Duitsers na de VS de grootste troepenleverancier in Afghanistan en doen ze ook mee in Mali – al zijn dit geen vechtmissies.

Nog altijd liggen het Franse en Duitse denken over veiligheid en defensie „mijlenver uit elkaar”, zegt Ulrike Franke van de European Council on Foreign Relations. „En dat verander je niet per decreet. Daar zijn misschien wel decennia voor nodig. Maar langzaamaan beweegt er iets, ook in de publieke opinie. Nu komt het erop aan daar concreet invulling aan te geven.”

Dat gebeurt in Europees verband op verschillende manieren, waarbij Frankrijk en Duitsland ook over de vorm van de samenwerking verschillend denken. Duitsland hecht eraan alles zoveel mogelijk te verankeren binnen de instituties van de EU, met deelname van zoveel mogelijk lidstaten. Langs die lijn is het Europese project voor permanente Europese samenwerking op defensie- en veiligheidsgebied (Pesco) opgezet, onder meer voor afstemming van wapensystemen en logistiek.

Frankrijk doet mee, maar vreest dat de besluitvorming in EU-verband te log is voor militaire actie bij een plotselinge crisis. Daarom is, meer volgens de Franse lijn, buiten de EU-structuren om het Europese Interventie Initiatief opgezet (kortweg EI2 of E2I genoemd).

Europa moet weer in termen van ‘macht’ gaan denken en serieus werk maken van zijn defensie- en veiligheidscapaciteit, schrijft correspondent Caroline de Gruyter. Lees daarover haar column: Stel dat Frankrijk Duitsland was

Dit is geen staande legereenheid, maar een militair samenwerkings- en overlegproject met een klein secretariaat, waaraan alleen landen deelnemen die bereid en in staat zijn militair in actie te komen. Tot nu toe doen negen landen mee (ook Nederland), Finland wil zich als tiende aansluiten.

Voor Frankrijk is dit Europese Interventie Initiatief belangrijk, want de Franse strijdkrachten zijn overbelast en kunnen Europese partners – en hun financiële bijdrages - goed gebruiken bij de operaties in bijvoorbeeld Afrika. Duitsland heeft zich schoorvoetend aangesloten. „Qua symboliek was het catastrofaal geweest als Duitsland niet had meegedaan. Het is tenslotte een van de prestigieuze projecten van Macron”, zegt Claudia Major, van de Stiftung Wissenschaft und Politik.

Bijkomend voordeel: omdat het Europese Interventie Initiatief geen onderdeel is van de EU, blijft deelname van het militair machtige Verenigd Koninkrijk ook na de Brexit mogelijk. „De Fransen weten dat ze op dit terrein de Britten nodig hebben”, zegt Major.

Maar ook als deze verschillende vormen van militaire samenwerking van de grond komen, zegt Major, ontbreekt het nog aan een gemeenschappelijke strategische cultuur. „De strategische cultuur van een land beschrijft hoe dat land zich in veiligheidspolitieke kwesties opstelt, op basis van zijn geschiedenis, bepaalde normen en voorkeuren, en verklaart tot op zekere hoogte zijn handelen. Bijvoorbeeld waarom Duitsland zo terughoudend is bij het inzetten van militair geweld, en waarom Duitsland altijd met bondgenoten wil optreden en nooit alleen.

„De vraag is hoe je in Europa de verschillende strategische culturen kan verenigen op één dreigingsanalyse en welke rol het leger daarbij speelt.”

De Fransen beseffen heel goed, zegt Major, dat de strategische cultuur van land tot land verschilt, vooral als het gaat om het gebruik van militair geweld. „Maar dat is niet erg. Frankrijk heeft al enorm veel gewonnen als we met elkaar situaties doorspreken als: hoe zouden jullie reageren als Algerije explodeert, of als Tunesië omvalt?”

Mocht Amerika besluiten de NAVO, en daarmee de veiligheidsgarantie voor Europa, de rug toe te keren, dan is Europa nog jarenlang niet in staat zichzelf te verdedigen. „Willen we de gaten opvullen die de Amerikanen achterlaten, dan hebben we zeker vijftien jaar nodig en heel, heel, heel erg veel geld. En dan hebben we het nog niet eens over de vraag hoe we omgaan met het wegvallen van de Amerikaanse nucleaire afschrikking en de stabiliserende Amerikaanse rol in Europa.”

Dat kan een gevaarlijke situatie opleveren, waarschuwt Major. Bijvoorbeeld als Rusland in de verleiding komt te testen wat die Europese defensie zonder de Amerikanen eigenlijk voorstelt. Of als de VS zich niet alleen afwenden van Europa, maar zich tot opponent ontwikkelen.

„De Europeanen moeten proberen de trans-Atlantische relatie te redden, en tegelijk een eigen defensie opzetten.” Hoe moeilijk dat ook is, onder aanvoering van Frankrijk en Duitsland moet dat mogelijk zijn, gelooft Major.

    • Juurd Eijsvoogel