Opinie

    • een onzer redacteuren

Vader

Ik ging zitten waar mijn vader altijd zat. Op dezelfde plek in dat hotel tegenover het station. Dat doe ik wel vaker als ik in Arnhem ben. Ik geloof dat we na zijn dood dichter bij elkaar gekomen zijn, dat ik hem beter snap nu ik zelf kinderen heb. Met zijn: „Op een gegeven moment kun je niet meer terug, dan zit je in die achtbaan.” Hij was blij dat er een organisatie bestond die zijn bestaan wilde bekostigen en betaalde terug met loyaliteit.

Iedere dag vroeg op, broodtrommel onder de snelbinders en gaan. En dan, vlakbij kantoor, twee kopjes koffie achter het raam waar hij precies tien minuten over deed want anders kwam hij te laat. Hij vond dat vrijheid.

Na zijn pensionering bleef hij koffiedrinken. Ander tijdstip, zelfde hotel, zelfde stoel. Hij genoot ervan hoe de Arnhemmers om hem heen het nieuws bespraken. Korte halen, snel thuis. Eigen belang eerst.

In het boek ‘Andere Achterhuizen’ van Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis las ik laatst dat onderduikers in de Tweede Wereldoorlog in de regel honderd gulden huur per maand moesten betalen. In Arnhem vroegen ze honderd gulden per dag.

Toen in 1989 de Muur viel maakte mijn vader het mee dat hij terechtkwam tussen een groep Arnhemmers die voor de deur uit een touringcar waren gevallen. Ze kwamen terug uit Berlijn. Een vrouw liet hem in twee tassen kijken waarin stukjes beton zaten. Zelf uit de Muur gehakt. Ze had de reis niet gemaakt om de vrijheid te vieren, maar voor de handel.

De ruimte was nu uitsluitend voor gasten van het hotel. De ober zei dat je dat ook wel kon horen, inderdaad werd er aan de tafeltjes om ons heen Engels gesproken. Andere mensen moesten koffiedrinken in het aanpalende grand-café.

De ober, net iets te nadrukkelijk: „Als we iedereen van wie de vader hier weleens koffie heeft gedronken hier laten zitten hadden we geen grand-café hoeven bouwen. Daar kunnen we natuurlijk niet aan beginnen.”

Ik verplaatste me.

Een kwartier later kwam hij informeren of mijn vader soms een snor had.

Ik: „Nee, hoezo?”

Hij: „Nou omdat ik hier, ik denk al wel dertig jaar rondloop. Er zat hier toen weleens een man met een snor. Ik had toen zelf trouwens ook een snor.”

Wat hij eigenlijk wilde zeggen: ik ben heus wel aardig.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • een onzer redacteuren