Opinie

    • Maarten Schinkel
Italië

Begroting is een risico voor de eurozone

Het werd door de Italiaanse coalitie gebracht als een overwinning, maar in wezen leed Italië vorige week een zoveelste nederlaag. Afgelopen donderdag kwamen regeringspartijen Vijfsterrenbeweging en Lega overeen de begroting voor 2019 te verhogen. Het verwachte begrotingstekort loopt daardoor op van 1,6 procent van het bruto binnenlands product naar 2,4 procent. De gehoopte daling van de Italiaanse staatsschuldquote, die met 130 procent van het bbp na Griekenland de hoogste is van de eurozone, blijft uit. Er is zelfs het risico op een stijging. Op de financiële markten dreven geschrokken beleggers de effectieve rente op Italiaanse staatsleningen op. Mocht die rente-opslag duurzaam blijken, dan verslechtert de Italiaanse begroting nog meer.

Met name voorman Luigi Di Maio van Vijfsterren staat onder druk: zijn coalitiegenoot Lega, stijgt in de peilingen, en is Vijfsterren al lang voorbij gestreefd. Matteo Salvini’s harde immigratiebeleid wordt beloond door de kiezer. Het was vorige week de beurt aan Di Maio om zijn beloften waar te maken: onder meer het gedeeltelijk terugdraaien van de verhoging van de pensioenleeftijd, en extra inkomen voor de armste Italianen.

Zo gaat Italië, ondanks alle beloften van verandering, door op de oude weg. Niet hervormen, maar besteden. Dat hervormingen hard nodig zijn, wordt onderstreept door het grootste euvel waar het land mee kampt: een bedroevend lage productiviteitsgroei en slechte internationale concurrentiepositie. De huidige periode van internationale hoogconjunctuur had benut kunnen worden om daar wat aan te doen. Het rente- en opkoopbeleid van de Europese Centrale Bank heeft de Italiaanse rentevoeten comfortabel gedrukt. De koers van de euro is laag.

Terwijl dus werkelijk alles mee zit, weet Italië nu een begroting te presenteren met een tekort van nog steeds 2,4 procent. Dat is weliswaar onder de formele Europese eis van 3 procent, maar is strijdig met bepalingen die terecht stellen dat bij de huidige stand van de conjunctuur het tekort veel lager moet zijn, en dat de staatsschuldquote een dalende lijn moet vertonen.

Als straks de conjunctuur onvermijdelijk omslaat is het Italiaanse tekort in geen tijd weer in de gevarenzone. De Europese Centrale bank bouwt intussen zijn opkoopbeleid per 1 oktober af, om daarmee eind dit jaar te stoppen. Dan valt ook de koerssteun van Italiaanse staatsschuld weg, die de rente mede laag hield.

Binnen een maand zullen de grote kredietbeoordelaars reageren op de Italiaanse plannen. Half oktober zal ook de Europese Commissie zich er over uitspreken. Het wordt de vraag hoe dat uitpakt. Brussel kan besluiten om niet de boeman te spelen om zo het opkomende populisme in de eurozone niet in de kaart te spelen – in ieder geval niet tijdens de opmaat naar de verkiezingen voor het Europees Parlement halverwege volgend jaar.

Dat zou een misvatting zijn. Allereerst is het moderne Italiaanse populisme – zie de regeringen-Berlusconi – ouder dan vandaag. Er valt veel voor te zeggen dat het juist aan de bedroevende financiële situatie van het land heeft bijgedragen. Ten tweede helpt het huidige Italiaanse recept van begrotingsstimulering niet, als er geen dynamische economie is die daar op kan reageren. Ten derde wakkert rekkelijkheid ten aanzien van Italië de weerstand tegen het Europese project in het noorden van de eurozone juist aan. En, als vierde misschien wel het meest acuut: Europa kan zich een Italië dat in financiële problemen raakt simpelweg niet permitteren. Dit is geen tweede Griekenland. Dit is bijna tienmaal Griekenland. Dit is spelen met vuur.

    • Maarten Schinkel