Grootse zanger van hartverscheurende chansons

Charles Aznavour 1924-2018

Een Armeens jongetje dat te klein leek voor een carrière op de planken en ook nog een stemband miste – Charles Aznavour moest hard werken om een wereldster te worden. Hij overleed in de nacht van zondag op maandag, op 94-jarige leeftijd.

Charles Aznavour tijdens een concert in Parijs, eind vorig jaar. Foto AFP / Eric Feferberg

Hard gewerkt heeft hij altijd: veel opgetreden in de hele wereld, meer dan 1.200 liedjes geschreven, zich de vijanden – echte of vermeende – van het lijf gehouden. Op negenjarige leeftijd begon zijn carrière – niet uit roeping zozeer maar omdat zijn Armeense vader in Parijs met zijn café voor de tweede keer failliet was gegaan en de kleine Charles Aznavour, die eigenlijk Shahnour Vaghinag Aznavourian heette, middels een acteursopleiding kon worden voorbereid op een bijdrage aan het gezinsinkomen.

Nu is hij in het harnas gestorven – al sinds 2010 worden zijn tournees over de hele wereld als ‘afscheidsconcerten’ verkocht. Niet gek voor een Armeens jongetje dat eigenlijk te klein (1,63 m) leek voor een carrière op de planken – om nog maar te zwijgen over zijn ontsierend grote neus, en zijn raspende stemgeluid omdat hij sedert zijn geboorte een stemband miste. Maurice Chevalier, de zoetgevooisde crooner en revuester van de Franse oorlogsjaren, was zijn voorbeeld. Hij stond daar fysiek en qua stem vér vanaf. Maar hij heeft hem in wereldfaam overtroffen.

Lees ook: Shahnour Aznavourian en de elastische tijd

Dat de mondiaal beroemdste Franse zanger op 22 mei 1924 juist in Parijs wordt geboren, is toeval. Zijn ouders, die elkaar in de Armeense diaspora na de genocide van 1915 hebben leren kennen, wachten er op een visum voor de Verenigde Staten. Dat komt nooit. Als kind ontmoet Charles – de ambtenaar kan bij de geboorte-aangifte weinig aan met ‘Shahnour’ – zelden Fransen. Zijn ouders verkeren in een milieu van emigranten: Russen, Armeniërs, joden.

„Ik ben een echte autodidact”, heeft hij over zichzelf geschreven. Hij leest: Victor Hugo, La Fontaine, Molière. En inmiddels treedt hij op in cafés waar niemand luistert, als hij al niet wordt bespot om zijn uiterlijk en stem, in derderangsrevuetheaters, als pauze-act in achterafbioscopen. Wie zijn eigen nummers schrijft, hoeft geen rechten aan anderen af te dragen.

Hard werken loont. Hij wordt in de grauwe bezettingsjaren ontdekt door Édith Piaf, wier ster na de Bevrijding hoog rijst, in Frankrijk maar al spoedig ook in het buitenland. Hij lijkt een van de zeer weinige mannen in Piafs omgeving die geen seksuele verhouding hebben gehad met de ster. Wel is hij, behalve zanger in Piafs voorprogramma, ook haar secretaris en chauffeur. In 1947 neemt ze hem mee op tournee door de Verenigde Staten. Aznavour leert Engels en laat in New York operatief zijn neus verkleinen.

Bijna was hij niet naar Frankrijk teruggekeerd. Maar na anderhalf jaar Montréal is hij in 1950 terug, optredend en vooral liedjes voor andere, grotere sterren schrijvend. Dat schrijven voor anderen blijft hij doen, ook als hij later als zanger zelf succes heeft. Gilbert Bécaud, Johnny Hallyday, Sylvie Vartan – allen zingen ze zijn nummers. Een van de grote successen van Juliette Gréco, ‘Je hais les dimanches’, is eveneens van Aznavour. Maar met de door haar vertegenwoordigde, meer intellectuele richting van het Franse chanson heeft hij weinig van doen – hij blijft een variété-artiest, en met trots.

Armeense wortels

Misschien is het mede zijn underdog-achtige verschijning en slechte stem die hem succes bezorgen met liedjes die een zeker autobiografisch zelfmedelijden uitstralen – zonder daadwerkelijk verband met zijn eigen leven. Zijn eerste grote hit is in 1960 ‘Je m’voyais déjà’, over een oudere, mislukte artiest. Zijn mooiste tekst in dit genre is het intens zielige ‘Comme ils disent’ uit 1972, over een man die in een travestie-cabaret als vrouw optreedt.

In de jaren zestig ontstaat in Frankrijk een moderne muziekindustrie: 45-toerensingles, hitparades, airplay op zenders als Radio Luxembourg en Europe 1. Voor Aznavour gaat nauwelijks een jaar voorbij zonder grote hit: ‘Tu t’laisses aller’ (1960), ‘Les comédiens’ (’62), ‘La mamma’ (’63), ‘Que c’est triste Venise’ (’64), ‘La bohème’ (’65), ‘Emmenez-moi’ (’67), ‘Désormais’ (’69). Bijna al zijn grote successen dateren uit deze tijd, en waren in de meeste gevallen door anderen geschreven.

In 2013 schreef Raymond van de Boogaard al hoe een kleine Armeniër met een vreemde stem dankzij wilskracht de grootste Franse zanger werd

De sterstatus, mede geschraagd door buitenlandse tournees en Engelse versies van zijn repertoire, zal hem zijn leven niet meer verlaten. Het geld stroomt binnen. Hij bewoont een villa in Saint-Tropez en – na een veroordeling wegens belastingontduiking in 1972 – eentje in Zwitserland. Hij trouwt voor de derde maal, met een struise Zweedse die een kop groter is dan hij. Maar wat hem ook niet verlaat is een zekere stuursheid – hij schrijft vier keer een autobiografie omdat hij zijn levensverhaal niet aan anderen wil overlaten, steeds in een defensieve, zo niet verongelijkte grondtoon.

Tegen het eind van zijn leven ‘ontdekt’ hij ook zijn Armeense wortels, die hem eerder irrelevant voorkwamen – hij spreekt ook nauwelijks Armeens. In 1975 had hij in het hartverscheurende ‘Ils sont tombés’ al eens de voor de wereld dan nog goeddeels onbekende massamoord op de Armeniërs van 1915 beschreven.

In 1988, na de grote aardbeving in Armenië, stelt hij zich aan het hoofd van inzamelingsacties in Frankrijk en na de Armeense onafhankelijkheid van 1991 laat hij zich in het Kaukasische land fêteren als een van de grote Armeniërs uit de geschiedenis – met honderdduizenden toeschouwers in de Armeense voetbalstadions. Ze maken hem zelfs de Armeense ambassadeur bij de Verenigde Naties in Genève, waar hij dichtbij woont.

„Frankrijk is mijn land, en Armenië mijn vaderland” heeft Aznavour geschreven, met iets van de hulpeloosheid en eenzaamheid die hij uitstraalt op bijna alle foto’s die van hem gemaakt zijn. Maar hij is niet weggelopen voor die eenzaamheid en verscheurdheid. Er moest brood op de plank.

    • Raymond van den Boogaard