‘Dit was een kamp van plezier’

Archeologie

In Austerlitz, nabij Zeist, graven archeologen de resten van een groot Frans legerkamp op.

Opgravingen bij het legerkamp van Napoleon in Austerlitz. Foto Emile Krijgsman / BAAC / Vestigia

Archeoloog Wilfried Hessing wijst op een verkleuring in de zanderige bodem aan de rand van het dorp Austerlitz bij Zeist. „Dit is een afwateringsgreppel rond een officierstent”, zegt Hessing. Op de plaats lag tussen 1804 en 1808 een enorm Frans legerkamp van Napoleons leger. „Bedoeld voor de invasie van Groot-Brittannië.”

Het kamp maakte deel uit van de strategie van Napoleon om langs de Noordzeekust, van Frankrijk tot in de Nederlanden, troepen te verzamelen. Dat maakte het mogelijk om als het moment van de invasie daar was ze snel in te schepen en over te zetten. Ook konden ze bij een eventuele Britse tegenaanval worden ingezet. In de Bataafse Republiek, sinds 1793 een vazalstaat van Frankrijk, stonden de troepen onder bevel van Auguste de Marmont. Hij besloot in 1804 om op kosten van de Nederlandse staat bij Zeist een groot legerkamp te bouwen voor de Hollands-Bataafse Divisie en twee Franse divisies, in totaal ongeveer 20.000 man. „Dat deed hij bewust buiten de grote stad, omdat dat volgens de toen heersende opvattingen hygiënischer zou zijn”, vertelt Hessing. „Kamperen op de hei gaf ook mogelijkheden om in veel grotere verbanden te oefenen.”

Overzichtskaart van het Franse kampement. Foto BAAC/ Vestigia

In een bouwkeet bij de opgraving toont Hessing een reproductie van een historische kaart van het kamp, dat zich uitstrekte over een lengte van drie kilometer en ongeveer een kilometer breed was. „Marmont was trots op zijn kamp en heeft de tekening als relatiegeschenk laten maken.” Op de kaart is goed te zien dat het kamp volgens een strak hiërarchisch systeem en in slagorde was opgebouwd. Aan de voorzijde was een groot oefenterrein. „Dat gebied ligt verderop, in het bos, en hebben we niet opgegraven.”

In de eerste fase van het kamp bestonden de onderkomens van de troepen uit tenten. „Aan de hand van de afwateringsgreppels hebben we de grootte van de tenten voor de manschappen kunnen vaststellen”, legt Hessing uit. „Ze waren ongeveer drie bij vijf meter; per tent was er plek voor acht tot tien man.”

Op de tentplekken troffen de archeologen ondiepten met stroresten aan. „De tenten waren vanwege het wegsteken van heideplaggen enkele centimeters verdiept. De soldaten sliepen op het verlaagde vloeroppervlak op stro, dat regelmatig werd ververst om niet nat te liggen. Vanwege wateroverlast door de vele regen hebben ze na het eerste jaar de tenten vervangen door barakken.” De bodem van de tenten bleek ook vol koperen gespen te zitten. Dat is volgens Hessing als volgt te verklaren: ’s Nachts moest er altijd wel iemand naar de latrine. Maar dan mochten ze geen vuur maken. In het donker stapten ze daarom vaak op schoenen en laarzen van hun tentgenoten en trapten de gespen los. Nog iets dat in het kamp vaak verloren werd: koperen knopen. „Alleen al aan het uniform zaten een stuk of vijftig knopen. Rond 1800 was de oekaze uitgegaan dat op de knopen van de jas het regimentsnummer moest staan. Dat maakt het voor ons gemakkelijker om te bepalen met welke legeronderdelen we te maken hebben.”

Uniformknoop van het 104-de regiment Foto BAAC/ Vestigia

Opvallend: de Franse militairen hadden bijna alleen ‘oud’ en Nederlands geld bij zich. „Volgens een numismaticus werd in de Bataafse Republiek weinig nieuw geld geslagen, en was het Staatse geld uit de periode 1750-1790 nog volop in gebruik.” Ook frappant: in het kamp waren veel diepe kuilen die geen duidelijke functie gehad lijken te hebben en afgezien van een enkele knoop geen bijzondere vondsten bevatten. „Mogelijk is het zand gebruikt om de modderige kampstraten en de vloeren van de barakken te voorzien van een schone en droge laag wit zand.”

Achter de tenten van de manschappen lagen grote rechthoekige of vierkante kookkuilen. „Ze waren ongeveer een meter diep, met meerdere haardplaatsen,” zegt Hessing. Opgevulde paalgaten aan de randen doen vermoeden dat er afdaken waren. Uit de bronnen weten de archeologen verder dat aarden walletjes bescherming tegen de wind boden. In naburige afvalkuilen vonden de archeologen vooral schenkels. „Op het menu stond altijd soep, eventueel gevuld met groenten en brood. Uit rekeningen in het Nationaal Archief weten we dat ze niet zelf brood bakten maar dat elders inkochten.”

Tussen de keukenkuilen lagen 38 waterputten. „Eentje hebben we uitgeboord en die was vijftien meter diep. De aanleg was gespecialiseerd werk. En ook gevaarlijk, want uit de bronnen is bekend dat bij Austerlitz twee mannen bij de aanleg van de putten zijn omgekomen.” In dit gebied zijn ook rijtjes smalle sporen gevonden die niet op kaartmateriaal zijn afgebeeld. „Maar daarvan is de functie nog onbekend.”

Voor Hessing heeft de opgraving ook sentimentele waarde. „Lang geleden, tijdens het begin van mijn studie geschiedenis in Leiden, kreeg ik van mijn hoogleraar opdracht uit te zoeken wie de auteur was van bepaalde anonieme memoires uit die tijd. Dat bleek Jan Willem van de Wetering (1789-1859) te zijn, die bij Waterloo de Willemsorde heeft verdiend. In zijn memoires vertelt hij dat hij als veertienjarige als tamboer bij het leger is gegaan en in het kamp bij Zeist is terechtgekomen. Hier opgraven maakt voor mij de cirkel rond.”

Van de Wetering beschrijft onder meer hoe de militairen planten en boompjes uit het bos haalden en ze rond de tenten van de officieren plantten. De hoeveelheid hing af van de rang: luitenant-kolonels en majoors kregen twee bomen, kolonels vier, majoor-generaals zes en luitenant-generaals acht.

Achter het kamp huisden de marketenters. Op initiatief van koning Lodewijk Napoleon was een dorp ontstaan met slagers, groentemannen, apothekers, speelhuizen, koffiehuizen, taveernes, herbergen en danszalen. Op zondagen trokken duizenden mensen naar het kamp om naar een parade of legeroefeningen te kijken.

Verzameling laarsgespen. Foto BAAC/ Vestigia

Vol warmte schrijft Van de Wetering ook over de eensgezindheid van de militairen tijdens de bouw van de Pyramide van Austerlitz. Zelfs Marmont deed volgens Van de Wetering mee. „Dit was een kamp van plezier, dat altijd als heerlijk is herinnerd door de soldaten die er zijn geweest.”

De invasie van Groot-Brittannië ging uiteindelijk niet door en daarom is het kamp na 1808 weer verlaten. Hessing: „De wapens hebben ze allemaal meegenomen, maar met de munitie en wapenonderdelen zijn ze niet zuinig geweest. We hebben nogal wat kanons- en musketkogels en veel vuursteenketsen en musketgereedschap gevonden.”

Het grootste deel van het kamp is later niet overbouwd of als landbouwgebied gebruikt. „Het is bos geworden en op basis van deze opgraving kunnen we zeggen dat veel goed bewaard is gebleven.” Hessing hoopt daarom dat hij later nog eens andere delen van het kamp, zoals de latrines, verderop in het bos kan onderzoeken. „Hier ligt een compleet militair landschap dat tot aan Soesterberg en Amersfoort loopt. Het zou mooi zijn als dat zichtbaar gemaakt kan worden. En in Austerlitz wonen nog mensen die afstammen van de marketenters uit de tijd van het kamp.”

    • Theo Toebosch