Recensie

Er is maar één conclusie mogelijk: Shani heeft het

Klassiek

Met een volstrekt overtuigend inauguratieconcert is de Israëliër Lahav Shani (29) dit weekend begonnen als de 12de chef van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Lahav Shani tijdens zijn inauguratieconcert. Foto Guido Pijper

Het is een van de interessantste vragen die elke organisatie zich om de zoveel tijd mag stellen: wie is mijn ideale leider? Waar staat hij voor? Waar staan wíj voor?

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest heeft een recente traditie in goed kiezen. Na vruchtbare chefschappen van de nu wereldberoemde dirigenten Valery Gergiev (34 toen hij in Rotterdam debuteerde) en Yannick Nézet-Séguin (33 toen hij als chef aantrad), koos het orkest in 2016 op basis van een extra ingelast concert voor de jonge Israëli Lahav Shani, toen nog onbekend. Maar wie hem zag en hoorde, snapte de uitslaande vonk direct. Shani heeft het. Of, zoals concertmeester Marieke Blankestijn verwoordt in een welkomstfilmpje dat voor aanvang werd getoond: „We zijn er high van. Hier worden mensen gelukkig van.”

Shani is een wonderkind met twee benen op de grond. Wanneer hij dirigeert merk je aan alles - zijn sierlijke en duidelijke slag, zijn natuurlijke melodievorming - dat hij muziek ademt en dat niet anders gewend is.

Op de voorgrond treden zonder muziek lijkt Shani iets stroever af te gaan. Op zaterdag werd hij ingeluid in de hal van De Doelen door een koperfanfare, uitspraakinstructie (Láhav Shaní is het, weten we nu) en speech van orkestdirecteur George Wiegel. Shani nam de aangeboden Rotterdamse goodybag ingetogen in ontvangst („Bij ons geen fiets”, een verwijzing naar het welkomstcadeau dat Daniele Gatti destijds kreeg bij zijn aantreden als chef van het Concertgebouworkest). Shani: „De reis was al mooi, hij wordt nog mooier. Laten we muziek gaan maken.”

Jeugdige vitaliteit

Om te beginnen was er een goedgekozen werk van Nederlandse bodem: het Scherzo nr. 2 van Léon Orthel (1956/57) is afwisselend en evocatief, en het bood direct kansen het orkest te laten glanzen in fraaie soli en een lekker verzadigde strijkersklank. Maar veelzeggender en beklijvender bleek het Derde pianoconcert van Beethoven, waarvoor Shani zijn mentor uit Berlijn, dirigent en pianist Daniel Barenboim, bereid vond om op 76-jarige leeftijd bij het orkest te debuteren.

Met Barenboim deelt Shani intelligentie en oermuzikaliteit, en het was ontroerend te ervaren hoe beiden Beethoven tot bloei brachten door elkaar respectvol de ruimte te laten – ondanks een klinkende energiekloof van bijna 50 leeftijdsjaren.

Shani’s Beethoven had een hogere hartslag dan die van Barenboim, die zich een grote ritmische spanbreedte permitteerde, soms aanstuurde op een kalmere puls en in zijn solopassages wat fluïditeit miste. Daar stond tegenover dat hij zijn aandeel prachtig liet versmelten met het orkest en er in het langzame deel voor zorgde dat de noten klonken als pure poëzie.

Dat het voor een orkest onder Shani heerlijk spelen is (wat oppervlakkig klinkt, maar van wezensbelang is) bleek ook in Sjostakovitsj’ Vijfde symfonie. Shani dirigeerde uit het hoofd, met compromisloze, jeugdige vitaliteit en kracht. De martiale passages pookte hij op met samengebalde gebaren, door het orkest beantwoord met een evenzeer lekker hoekige, energieke klank. Momenten van ontspanning (prachtige fluitsolo Juliette Hurel) klonken in die nagloed des te fraaier.

Het slotdeel was een hyperaanstekelijke, scherp geschakelde dollemansrit, waarbij de opwinding steeds verder werd opgestookt.

De avond was een belevenis die nu al enorm doet uitzien naar Shani’s volgende concerten in oktober, met o.a. een solopianorecital en Bruckners Zevende symfonie. Wat zullen er veel orkesten jaloers zijn.

    • Mischa Spel