Opinie

Piemeltje

De week werd gedomineerd door een eend en een kanarie. Ze bestonden 25 jaar, maar wie nu Fokke en wie Sukke is weet ik nog altijd niet – zoals ik ook Theodor Holman en Max Pam niet uit elkaar kan houden. In Pakhuis de Zwijger te Amsterdam werden de makers van de cartoon toegesproken door vrienden en bewonderaars. Ik was gevraagd om iets te zeggen over de grenzen van de grap, omdat ik daar begin deze zomer nogal hardhandig mee te maken had gehad.

Eind juni werd ik op een VNG-congres in Maastricht geïnterviewd door Twan Huys over criminaliteit in de grensstreek en de bedreigingen waarmee burgemeesters te kampen hebben, een ernstig onderwerp waar we met gepaste ernst over spraken. En nu de pers ook al, zei Huys, een verwijzing naar de aanslag op De Telegraaf die nacht. Omdat ik een beetje genoeg had van mijn eigen ernst zei ik: „Dat werd tijd.”

Drie woordjes, indachtig de definitie van satiricus Jean Paul: „Bondigheid is het lichaam en de ziel van de grap, sterker nog, is haarzelve.” Niet eens een echte grap was het, zoals Reid, Geleijnse en Van Tol ze maken, een polemische kwinkslag eerder.

Hoe dan ook, er werd wat gelachen en voort ging het gesprek in een ritme van luim en zwaarte – een geslaagd item kortom, de drieduizend burgemeesters en wethouders hadden waar gekregen voor hun gemeenschapsgeld.

Onderweg naar huis kreeg ik een verslaggever van De Telegraaf aan de lijn: of ik had gezegd wat ik had gezegd en of de burgemeesters daarom hadden gelachen en geklapt. Geduldig stond ik hem te woord: dat het een grap was die ook beslist als grap was verstaan, meer moest hij daar niet achter zoeken, maar toen hij me die middag voor de derde keer belde, begreep ik dat het ze ernst was met de krenking, ze gingen er echt werk van maken.

De volgende dag vond ik mezelf terug over pagina twee en drie van De Telegraaf. De minister van Binnenlandse Zaken vond het hoogst ongepast allemaal, Geert Wilders wilde alle lachende burgemeesters ontslaan.

Omdat ik om hygiënische redenen niet meer op sociale media rondneus, ging het gekrakeel in de dagen daarop grotendeels aan me voorbij, maar mijn echtgenote berichtte dat ze in mijn kielzog een „smerige linkse tyfushoer” werd genoemd en dat er werd opgeroepen om ons huisadres openbaar te maken, plus nog een paar honderd tweets van mensen die me op mijn kale kankerbek wilden slaan en me een langzame, pijnlijke dood toewensten; nou ja, de gebruikelijke smeerlapperij kortom van mensen die dat verwarren met vrijheid van meningsuiting.

De Telegraaf spuwde liefst achttien keer haar gal over mijn grapje in nieuwsberichten, columns en commentaren, tegen een kleine veertig keer over de aanslag zelf; toen de verslaggever me voor de vierde keer belde, informeerde ik of ze misschien slachtoffer waren geworden van een grap in plaats van een aanslag.

Mijn kwinkslag van bamboe, papier en touw was zwaar als een aambeeld terug naar de aarde gevallen. Eerst werd de grap een karikatuur, toen stak hij de grens over van het komische naar de ernst – een onherstelbare falsificatie. Intussen deed Telegraaf-hoofdredacteur Paul Jansen uit naam van de persvrijheid een beroep op de hoofdredacteur van deze krant om mij te ontslaan als columnist. Uit naam van de persvrijheid een stukjesschrijver het zwijgen willen opleggen; kan iemand hem de tegenstrijdigheid uitleggen?

Paul Jansen is een willige slaaf van zijn krenking – hij beantwoordt de grap met een beroepsverbod, het bagatel met een vendetta.

Nu goed, dat het misschien niet zo’n heel goede grap was, begreep ik toen Youp van ’t Hek de zaterdag erop schreef dat hij ’m graag had gemaakt.

Het zijn de tijden niet voor dubbelzinnigheid en ironie. De stijlmiddelen worden niet meer verstaan. Om ons in onze mobiele communicatie te behoeden voor het misverstand, zetten we smileys in. Smileys zijn de disclaimer van de grap. Op een podium hebben we die disclaimer niet, maar in mijn eerste dagen als vijand van de persvrijheid was ik liever een eend of een kanarie geweest, veilig begrensd door de omtrek en de context van een cartoon. Het kleine piemeltje had ik graag op de koop toegenomen.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.