Recensie

Spokend schuldgevoel en een monster voor de sier

Sarah Perry Net als in haar vorige roman Het monster van Essex schrijft deze Britse schrijfster weer over een monster, nu in hedendaags Praag. Schuldgevoel is een sterk motief, maar het evenwicht van haar vorige roman ontbreekt.

De vorige roman van Sarah Perry, Het monster van Essex, was fenomenaal, vooral omdat alles – stijl, verhaal, spanning – in evenwicht was. In haar derde roman Melmoth, de tweede in vertaling, is dat minder het geval.

Wederom neemt Perry een monster als uitgangspunt: nu geen (verondersteld) negentiende-eeuws watermonster, maar een duistere vrouw, een soort demon, die onder de huid kruipt van een hedendaags Praags gezelschap. Spil van het gezelschap is de 42-jarige Helen Franklin, Brits van origine. Een vrouw die zichzelf straft door zich te onthouden van alle geneugten – ze doet fanatiek aan ‘comfortbestrijding’. Waaróm blijft zo lang een raadsel dat het gekunsteld wordt; er is iets Vreselijks gebeurd en het is Vreselijk! Franklin komt via een vriend in aanraking met documenten over de figuur Melmoth en raakt volledig in de ban.

Het is geen sinecure om een mythisch figuur te creëren – al is de lichte overeenkomst met Melmoth the Wanderer, een gothic novel uit 1820, niet toevallig. Perry’s Melmoth is een vrouw die de herrijzenis van Christus aanschouwde, dit ontkende en voor altijd rond moest dolen om zielen te winnen die niets meer te verliezen hebben. Een vrouw die je neus vult met de geur van lelies, omgeven wordt door wapperend zwart kant. Ze bezoekt mensen als ze iets vreselijks gedaan hebben. Ze is een symptoom, de verpersoonlijking en de ‘oplossing’ van een gruwelijk schuldgevoel. Een fascinerend gegeven, maar in de uitwerking net niet geslaagd. Door de uitgebreide beschrijvingen van het monster (alsmaar schaduwen over het gezicht) en de effecten die ze teweegbrengt (ze zet de tijd op herhaling, waardoor de uithaal van een zangeres uren kan duren) lijkt het wel of er is geschreven met het oog op een verfilming. Zó moet het klinken, zó ziet het er precies uit! En tel daarbij op dat Perry (1979) het heden probeert te mystificeren met taal die klinkt alsof de personages zich in de negentiende eeuw bewegen. Het is net te geforceerd: jongens die ‘schalks’ een serveerster roepen en hun aandacht dan weer op mobieltjes richten, Helens nieuwsgierigheid die ‘vlijmt’ als een ‘hongervlaag’, dat er in kraampjes ‘ham aan het bot’ verkocht wordt – het is zo, maar hier is het ook een truc.

Neemt niet weg dat het schuldmotief sterk is uitgewerkt. Schuldigen uit verschillende tijden krijgen een werkelijk genuanceerde stem, tegen het ongemakkelijke aan: ook als je geen bloed aan je handen hebt, kun je een ‘radertje’ zijn in een kwaad geheel. De Duitse jongen, zoon van nazi-sympathisanten, die niet weet, of niet wil weten, wat er gebeurt met de Joden die hij verraadt. De Turkse bureaucraat die een memo schrijft waardoor – hij weet hoegenaamd van niets – honderden Armeense kinderen het leven laten. En dan Helen Franklin, en haar vreselijke misstap…

Deze verhalen in het verhaal zijn fijn opgetekend, boeiend en bloedstollend, tot dat protserige monster de kop weer opsteekt – zo zonde! Ik ben de laatste om te zeggen dat het fantastische en mythische, de spoken en demonen, geen rol kunnen hebben in goede literatuur. Maar in deze roman lijkt die arme Melmoth eerder een ornament dan een drijvende kracht.

    • Roos van Rijswijk