Rutte, doe als Macron en erken misdaad

Algerije

President Macron erkent de martelingen door Frankrijks soldaten in Algerije. Zo zou ook Nederland verantwoording moeten nemen voor zijn schuld in Indonesië, schrijven en .

Illustratie Lars Zuidweg

Onlangs erkende president Macron martelingen door Franse militairen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Frankrijks voormalige kolonie Algerije. Ook bezocht hij de weduwe van een gedode verzetsman. Daar zou premier Rutte nog iets van kunnen leren. Want in de Nederlandse omgang met het koloniale verleden ontbreekt juist zo’n ruimhartige en symbolische geste.

Macron vroeg de weduwe van Maurice Audin, een wiskundige die actief was in de Algerijnse communistische partij en die in 1957 werd gemarteld en vermoord door het Franse leger, om vergiffenis. Deze geste is niet alleen „historisch”, zoals Le Monde kopte, maar ook „moedig”, aldus de Franse historicus Benjamin Stora in NRC.

Macron zette zo een belangrijke stap in de verwerking van de koloniale oorlog met Algerije. In Nederland kiest de politiek niet voor grootmoedigheid, maar is er eerder sprake van een traditie van formalistische oplossingen: de schaal van de geste moet in verhouding staan tot de schaal van de Nederlandse schuld. En die schuld moet eerst worden vastgesteld. De Nederlandse morele omgang met dit verleden bleef daarmee tot nu toe karig.

Executies in Rawagedeh

Nadat de Nederlandse regering bleef weigeren verantwoordelijkheid te nemen, bepaalde de rechtbank in Den Haag in 2011 dat de Nederlandse staat acht weduwen uit het Javaanse dorp Rawagedeh moest compenseren voor het executeren van hun echtgenoten, onder wie een man die de executie overleefde. Pas na aanhoudende druk vanuit media en het proefschrift van historicus Rémy Limpach, ‘De brandende kampongs van Generaal Spoor’, besloot de regering in 2016 een vier jaar durend, onafhankelijk onderzoek (uitgevoerd door drie historische instituten) naar de inzet van voornamelijk Nederlands militair geweld in Indonesië financieel te ondersteunen.

Lees ook: de reconstructie van het proces van weduwe Adriana Nasoetion-Van der Have

Maar er zijn ook ruimhartige en meer symbolische gestes nodig; niet alleen naar de Indonesiërs toe, maar ook om een belangrijke stap te zetten in de Nederlandse verwerking van het koloniale verleden.

Op 5 januari 1949 werd de voormalige koloniale ambtenaar Tulus voor zijn huis in Rengat door Nederlandse militairen geëxecuteerd. Zijn dochter Nini Turaiza-Tulus (1938) schreef koning Willem-Alexander in 2016 een brief waarin ze vroeg om erkenning voor de moord op haar vader. Want, zoals de geschiedtheoreticus Jorn Rusen heeft gesteld, de emotionele dimensie van een historische cultuur kan niet worden los gezongen van de rationele component, het wetenschappelijk onderzoek. Voor Mevrouw Turaiza-Tulus en vele anderen Indonesische nabestaanden is slechts één ding belangrijk: erkenning van de Nederlandse staat - liever nog van de koning zelf.

Nederland is ook niet genereus als het gaat om de erkenning van 17 augustus 1945, de onafhankelijkheidsdatum van de Republiek Indonesië. Alhoewel toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot die datum in 2005 politiek en moreel bevestigde, geldt in Nederland officieel nog altijd de lezing dat Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit aan Indonesië overdroeg, en het land daarmee pas onafhankelijk werd. Nederland laat zo zien de betekenis van de onafhankelijkheidsdatum voor Indonesiërs nooit te hebben willen begrijpen en onderschrijven. Voor Indonesiërs is 17 augustus 1945 niet het begin van een dekolonisatieperiode zoals velen die in Nederland opvatten, wel het einde van een eeuwenlange periode van vreemde overheersing.

De Nederlanders keerden in 1945 terug naar een land dat zichzelf al niet meer als kolonie beschouwde. Mohammed Hatta schreef vlak na de onafhankelijkheidsverklaring in 1945 in het nationalistische blad The Voice of Free Indonesia dat het idee van zelfbeschikking voor alle volken, al in 1918 aangereikt door de Amerikaanse president Woodrow Wilson, de hoop op een rechtvaardige vrede tijdens de Tweede Wereldoorlog brandend hield. De capitulatie van Japan was het begin van het nationale bestaan van Indonesië als een vrij volk.

Staatsbezoek

Veruit het meest pijnlijke moment in de Nederlands-Indonesische betrekkingen in relatie tot de erkenning en viering van deze datum was het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië in 1995. Alhoewel de koningin expliciet was uitgenodigd om de viering van het vijftigjarige bestaan van de Republiek Indonesië op 17 augustus bij te wonen, sloeg ze de uitnodiging af en arriveerde ze een paar dagen later. Dat zou te maken hebben gehad met de slechte mensenrechtensituatie in Indonesië, maar men wilde toch vooral ook de Nederlandse veteranen niet voor het hoofd stoten.

De Nederlandse filosoof en partijideoloog van de PvdA Lolle Nauta schreef destijds dit: door als voormalige kolonisator te zwijgen over misdaden en schendingen van mensenrechten, door er geen blijk van te geven dat zich hier een moreel probleem voordeed, had de Hollandse delegatie geen afstand genomen van het koloniale verleden. Het ging Nauta niet zozeer om het maken van excuses, maar om „de bereidheid om overtredingen te erkennen en om het morele zelfonderzoek dat daarbij hoort.”

De ‘grote vragen’ in het publieke debat keerden door het uitblijven van erkenning en het zelfonderzoek telkens terug, aldus Nauta. Zo waren er wel steeds nieuwe onthullingen over oorlogsgeweld in de pers, maar bleven de dieperliggende maatschappelijke vragen over de betekenis daarvan veelal onbeantwoord.

Excuses werden gemaakt voor individuele gevallen van executie op Zuid-Sulawesi en oud-minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders bezocht in 2016 het dorp Rawagedeh,

maar een grootmoedig gebaar van de minister-president, vergelijkbaar met dat van Macron, bleef tot nu toe uit. Rutte zou inspiratie uit de Franse president moeten putten en zonder overleg met commissies en deskundigen bijvoorbeeld mevrouw Nini Turaiza-Tulus kunnen bezoeken. Hij zou haar dan kunnen zeggen dat Nederland de wapens niet had moeten oppakken tegen Indonesië en dat de drang naar onafhankelijkheid langdurig is miskend. Daarmee wordt het perspectief van Nederlandse veteranen niet terzijde geschoven: zij werden gestuurd door een Nederlandse regering.

Lees ook: Indonesische academici pleiten voor gezamenlijk onderzoek naar het koloniale verleden

Onafhankelijkheid

In 2020 is het vijfenzeventig jaar geleden dat Indonesië de onafhankelijkheid proclameerde. Voor de Indonesiërs ging de oorlog om de verdediging van de uitgeroepen onafhankelijkheid. Wat Nederland een dekolonisatieperiode noemde (1945 - 1949), was in Indonesische beleving een herbezetting. Als die internationaal breed gedragen Indonesische realiteit zijn weerslag niet vindt in de Nederlandse samenleving, dan zal de essentie van deze periode - de wens radicaal te breken met een traditie van eeuwenlang kolonialisme - hier nooit echt begrepen worden. Politici hebben hierin een taak.

Rutte en Willem-Alexander mogen straks bij de vijfenzeventigjarige viering van de Republiek Indonesië niet verstek laten gaan omdat er nog geen onderzoeksresultaten voorhanden zijn waaruit de diepte van de buiging zou moeten blijken. Wetenschap en de rechtsgang zijn belangrijk, maar de symboliek van de menselijke geste is hard nodig naar Indonesië toe en voor het noodzakelijke zelfonderzoek in de Nederlandse samenleving.

    • Anne-Lot Hoek