Nee, voor mij is het zo niet goed gemaakt

Op zijn elfde ging het seminarie in. Hij bleek een aantrekkelijk slachtoffer voor de Pater Prefect. „Mijn klachten zijn gegrond verklaard, maar ik ervaar geen opluchting.”

Als middelste in een gezin van zeven kinderen ben ik opgegroeid in een streng katholiek gezin; het geloof is mij met de paplepel ingegoten. Het leven op aarde stond in het teken van het leven in het hiernamaals. Dat ik mij dan wel als een goed christen moest gedragen, werd mij met de nodige angst en dwang bijgebracht. Het idee om een dagelijkse zonde dan wel een doodzonde te begaan, vervulde mij met ongekend veel onrust en vrees. Een dagelijkse zonde was nog over komelijk, een doodzonde was dat niet; die zou direct zichtbaar zijn door de zwarte vlek op je voorhoofd, gevolgd door verdoemenis tot de hel.

Vaak wist ik het verschil tussen beide zonden niet. Dan stond ik voor de spiegel, om te zien of er reeds een zwarte vlek op mijn voorhoofd was verschenen. Ik was doodsbang. Bidden en biechten vormden het antwoord op de prangende kwestie. Mijn moeder was het lichtend voorbeeld op weg naar het eeuwige leven; zij bad de sterren van de hemel.

Ik wist niet beter dan in haar voetsporen te treden. Op jonge leeftijd was ik misdienaar en koorknaap en was mijn missaal het handboek voor heiligheid. Onze familie telde drie ‘heerooms’; ik hing aan hun lippen als ze bij ons op bezoek kwamen uit Brazilië of de Congo. Ik droomde ervan om in een witte pij in de rimboe Gods woord te verkondigen en zieltjes te winnen voor het christendom.

Thuis had ik een eigen altaar opgetuigd, las ik de mis voor aan mijn broers en zussen en haalde ik brood uit onze bakkerij om zelf hosties te knippen. Met mijn wens om priester te willen worden maakte ik mijn moeder en de rest van de familie zielsgelukkig.

Lees ook: Laat de kerk misbruik echt erkennen

Op elfjarige leeftijd ging ik naar het seminarie in Helmond. Het was een volkomen van de buitenwereld afgesloten bolwerk van paters en broeders. Op het seminarie woonden jongens die allen het verlangen hadden om hun leven in dienst te stellen van God. We volgden een straf programma van kapelbezoek, bidden, studeren, sporten en zingen. Het was wel wennen, daar op de grote slaapzaal, alleen in een kale chambrette met een gordijn ervoor. Zonder mijn broers en zussen, maar bovenal zonder mijn moeder.

Heftig verward

Ik bleek een aantrekkelijk slachtoffer te zijn voor de pater Prefect. Hij stak zijn hand in mijn broek en maakte ondertussen met zijn andere hand heftige bewegingen onder zijn pij. Ik had geen idee wat zich daar afspeelde. Ik raakte heftig verward, angstig ook, en vroeg mij in opperste verbazing af wat ik hiermee moest.

Het overkwam me, tegenspreken deed je niet, erover praten al evenmin.

Een andere pater vertelde mij even later dat mijn zang zou verbeteren als ik ademhalingsoefeningen zou doen. Ik had daar wel oren naar. Maar na een paar lessen wist hij mij met zijn handen zodanig te manipuleren dat ik, broek op mijn enkels, door hem werd gepenetreerd zonder dat ik goed en wel in de gaten had wat mij overkwam. Ik was overgeleverd aan mannen in wie ik het grootste vertrouwen had.

Ik zocht hulp bij Maria in de nagebouwde Lourdesgrot in de tuin. Zij zou mij helpen in deze buitengewoon verwarrende omstandigheden. Daar stond ik dan, in het donker, in mijn eentje te bidden en te smeken om hulp. Maar die bleef uit.

Ten einde raad sloot ik me voor alles en iedereen af en kwam ik in een isolement terecht.

Na drie jaar wilde ik niet verder; door alle handtastelijkheden en verkrachtingen was ik volledig van slag. En met Maria was ik ondertussen wel uitgepraat in die namaak Lourdesgrot. Ik vertelde niemand over de reden van mijn vertrek, tegen mijn ouders en geestelijken zei ik dat het priesterschap niets voor mij was. Mijn ouders zijn overleden zonder ooit iets van mij over de voorvallen te hebben vernomen.

Enkele jaren later besloot ik toch mijn verhaal te doen en belde aan bij de pastoor van onze parochie. Hij zou het melden aan het bisdom, zei hij. Dat gebeurde niet. Het maakte mij niet uit; ik was mijn verhaal kwijt en kon verder. Dacht ik.

Schijnheilige en hypocriete houding

Ik weet niet meer wanneer ik voor het eerst melding maakte van mijn ervaringen. Wel weet ik dat ik steeds onrustiger werd over het groeiend aantal berichten over seksueel misbruik in de katholieke kerk. Decennialang konden geestelijken ongestraft hun gang gaan en intussen nam de schijnheilige en hypocriete houding van de Rooms-Katholieke Kerk ongekende proporties aan.

De klapper kwam van kardinaal Simonis, die in 2010 op televisie zei: „Wir haben es nicht gewusst”. Terwijl het seksueel misbruik al sinds de jaren veertig op de agenda van de kardinaalsvergaderingen stond!

Bijna zestig jaar na dato heb ik mij gemeld bij het Meldpunt Seksueel Misbruik RKK, een buitengewoon scherpe confrontatie. Ik kon mij niet meer concentreren, vatte de slaap niet langer. De procedure was indringend: ik schreef het hele verhaal op, voerde gesprekken met mij toegewezen advocaten, werkte het verhaal bij, stemde het af met het Meldpunt, ging naar de Klachtencommissie, waarna er hoorzittingen volgden, voerde wederom veelvuldig overleg met advocaat en meldpunt, ging naar de Compensatiecommissie en maakte deel uit van de bevindingen van de commissie-Deetman die het misbruik in de Rooms-Katholieke kerk onderzocht.

Lees ook over de ‘Brief aan het Volk van God’ van paus Franciscus

Na twee jaar werd de eerste klacht gegrond verklaard, en niet veel later ook de tweede. Maar het leidde niet tot opluchting, de financiële compensatie voelde als bloedgeld en mijn boosheid en verdriet zouden nooit verdwijnen. Nee, hier werd niets goedgemaakt.

In andere gevallen zouden rechters de hoogste straffen hebben opgelegd, maar de Rooms-Katholieke Kerk komt met haar misdaden weg. Kennelijk leeft ze boven en onder de wet. Ze geeft zich geen rekenschap van het leed dat ze heeft aangericht, legt geen verantwoording af. De toegewezen financiële vergoedingen hoest ze zonder veel moeite op. Alleen de schijnheilige en leugenachtige hypocrisie resteert.

Ik, slachtoffer van seksueel misbruik binnen de kerk, kan dat onmogelijk accepteren. Zo makkelijk mag de kerk er toch niet mee weg komen? Onder aanvoering van een ‘advocaat van de duivel’ zouden wij allen een kruistocht naar Rome moeten ondernemen, om daar de muren van Vaticaan-Vrijstad te slechten. En mocht er al een hemel bestaan, dan bevindt de hel zich hopelijk op het aanpalende onbewoonde eiland – ‘all inclusive’.

    • Theo Bruyns