Recensie

Meesteres én gevangene van een sekte

Gisèle en Castrum Peregrini

Schilderes Gisèle d’Ailly-Van Waterschoot van der Gracht schonk haar erfenis deels aan de kunststichting Castrum Peregrini. De geschiedenis van het genootschap is ontluisterend, ontdekte biografe Annet Mooij.

Gisèle d’Ailly-Van Waterschoot van der Gracht en glazenier Joep Nicolas in Islip (New York), omstreeks 1946 Castrum Peregrini Archief Amsterdam

Als je zoals ik rond 1980 je buik vol had van de Vijftigers en hun epigonen en ook weinig moest hebben van een literatuur die zich vooral toelegde op het ‘blootleggen van maatschappelijke structuren’ en waarin het streven naar schoonheid taboe was, stuitte je al snel op publicaties van uitgeverij Castrum Peregrini. Deze gaf niet alleen het gelijknamige tijdschrift uit, maar vormde tevens de kern van een leefgemeenschap aan de Amsterdamse Herengracht die tot aan diens dood in 1986 werd geleid door de Duitse dichter Wolfgang Frommel. Deze had tijdens de oorlog twee Joodse onderduikers verborgen en was een adept van de Duitse dichter Stefan George (1868-1933), die een esoterische cultus had gesticht waarin een heel specifieke interpretatie van de cultuur van het Avondland en de verering van beeldschone knapen centraal stonden. Hoewel de groep na het overlijden van Frommel langzaam uiteenviel, behielden uitgeverij en tijdschrift een goede, hoogst intellectuele en verfijnde reputatie. Dit was ‘het andere Duitsland’, het Duitsland van de Geist dat zich dapper had verzet tegen de terreur van de Macht.

Toch hoefde je geen homofoob te zijn om al spoedig de kriebels te krijgen van de misogynie, de steriele cultuur en de uiterst elitaire en ondemocratische opvattingen van deze George-aanbidders, wier geestelijk leidsman een belangrijke bijdrage had geleverd aan het geestelijk klimaat waarin de nationaalsocialisten aan de macht konden komen. Maar pas sinds enkele jaren is er meer aandacht voor de duistere kanten van Wolfgang Frommel en diens sekte, waarin seksueel misbruik en het anderszins manipuleren van kwetsbare jongens schering en inslag waren.

Dat de stichting Castrum Peregrini nog altijd bestaat, over een kapitaal pand aan de Herengracht en de Beulingstraat beschikt en zich tegenwoordig kan afficheren als een ‘cultural playground’ waar ‘culture, freedom and friendship’ worden vereerd, is te danken aan de meer dan gulle en loyale steun van nota bene een vrouw – de schilderes Gisèle d’Ailly-Van Waterschoot van der Gracht (1912-2013). Zij is het die door de huidige stichting, die afstand heeft genomen van de ideologie en pederastie van het oude Castrum Peregini, wordt voorgesteld als de centrale figuur van deze vriendengemeenschap, als de moedige verzetsvrouw die haar woning ter beschikking stelde aan Frommel en de onderduikers en deze vriendengroep door hard werken in leven wist te houden, en als een inspirerende kunstenares met een uniek oeuvre. Uit de prachtige biografie die Annet Mooij van haar schreef wordt echter duidelijk dat ook op dit beeld veel valt af te dingen.

Meester-leerling

Gisèle was de dochter van een Amsterdamse patriciër en een Oostenrijkse barones die haar jeugd doorbracht in Amerika, op het slot van haar moeders familie en in Parijs, en die halverwege de twintig was toen ze neerstreek in Nederland. In haar jonge jaren viel ze vooral op oudere mannen – haar seksuele initiatie beleefde ze met een dertig jaar oudere oom en vervolgens had ze relaties met onder anderen de schilder Joep Nicolas en Adriaan Roland Holst. Later verzamelde ze vooral jonge mannen om zich heen. De relatie meester-leerling vormde een belangrijke constante in haar leven, en in dat opzicht paste zij ook helemaal binnen de traditie van Castrum Peregrini.

Een andere overeenkomst met de sekte van Wolfgang Frommel, was haar onstilbare behoefte om uit de rauwe werkelijkheid die elementen te halen die mooi of aangenaam waren, en die te rangschikken in een fraai, indrukwekkende verhaal, of beter nog: een sprookje. Annet Mooij begint haar boek dan ook met de opmerking dat wanneer Gisèle nog geleefd zou hebben, ze ‘alles in het werk [had] gesteld om te voorkomen dat deze biografie het licht zou zien’. Want niet alleen is de geschiedenis van Castrum Peregrini – die een groot deel van het boek in beslag neemt – bijzonder ontluisterend, ook het levensverhaal van Gisèle blijkt niet het sprookje dat ze zelf keer op keer vertelde en dat door veel bewonderaars voor de waarheid werd versleten.

Toch is de biografe niet in de valkuil gevallen dat ze, geconfronteerd met de minder aangename aspecten van haar hoofdfiguur en haar omgeving, zo’n hekel aan Gisèle kreeg dat ze nu de hele tijd met een opgeheven vinger staat te zwaaien. Hoewel ze erkent dat Gisèle als kunstenaar niet uitzonderlijk getalenteerd was, dat ze haar levensverhaal mythologiseerde en wegkeek van de kwalijke praktijken van de Frommel-kliek, heeft ze ook oog voor de andere kanten van deze realiteit. Gisèle was wél een gedreven en hardwerkende kunstenaar en Castrum Peregrini heeft voor sommige mensen wél veel betekend: ‘Er zijn levens gered en levens ontwricht, mensen begeesterd en mensen beschadigd. Hoe verwarrend dat misschien ook is, het een kan heel goed naast het andere bestaan.’

Katholiek

Bovendien laat Mooij duidelijk zien hoe kameleontisch Gisèle was. Ze fladderde op betoverende wijze door verschillende werelden, die ze heel goed gescheiden wist te houden. Ze wist de relatie met haar deftige familie goed te houden, was gelovig katholiek en had een relatie met de even getrouwde als populaire burgemeester van Amsterdam, Arnold d’Ailly, met wie ze later trouwde. Ook had ze veel contact met Nederlandse kunstenaars en intellectuelen, en was ze de ‘meesteres én gevangene’ van Castrum Peregrini.

Aanvankelijk had ze de groep voorzien van onderdak en voedsel, en nadat ze vele miljoenen had geërfd schonk ze het grootste deel van haar bezit aan de stichting. Tegelijkertijd hoorde ze er nooit echt bij, werd ze door Frommel en diens volgelingen buitengesloten van de dweperige cultus rond George, en werd minachtend gesproken over ‘das Weib’, dat vooral geschikt was om de rekeningen te betalen.

Gelukkig zwicht Mooij ook niet voor de verleiding om Gisèle louter te zien als slachtoffer van Frommel. Wanneer ze schrijft dat sommigen hem ‘een arrogante kwast, een engerd of een onverdraaglijke aansteller vonden’, is duidelijk dat ze dat zelf ook vindt. Ze benadrukt echter vooral dat Gisèle Castrum Peregrini ook gebruikte om haar eigen werkelijkheid en eigen mythe te creëren. En ze doet dat zonder een keihard oordeel te vellen. De slotzin van deze meesterlijke biografie luidt dan ook: ‘Over de narigheid heen kijken en zich laten betoveren, het negatieve negeren en het mooie blijven zien – dat was de stuwende kracht in het leven van Gisèle.’

    • Rob Hartmans