Recensie

Kan de Griffeljury wel lezen?

Kinderboekenprijs Dinsdag wordt de Gouden Griffel uitgereikt – aan Lampje, dat kan bijna niet anders. Maar kunnen we de jury daarop vertrouwen?

Wie moet komende dinsdag de Gouden Griffel winnen? We kunnen kort zijn: het beste kinderboek van het afgelopen jaar is Lampje van Annet Schaap. Het is een wervelend avonturenverhaal over een vuurtorenwachtersdochter en een zeemeerjongen, een boek dat meesleept en ontroert, dat tintelt van taal, een boek dat volwassen beoordelaars en jonge lezers gelijkelijk weet te bekoren – een nieuwe klassieker. Of zoals de Griffeljury het verwoordde in het juryrapport, dat in juni openbaar werd: dit boek zal ‘anderen inspireren en haar licht laten schijnen over de kinderliteratuur’. Ik denk althans dat de jury met die vage zin doelt op een klassiekersstatus. Ja, we zien wat ze probeerden: iets metaforisch met lamplicht. Maar ‘zijn licht laten schijnen over iets’ betekent iets anders. Moet Lampje de kinderliteratuur verduidelijken?

Wie het juryrapport closereadt, fronst vaker: Lampje ‘neemt de lezer mee naar een realistische wereld’. ‘Geloofwaardig’ of ‘overtuigend’ had er kunnen staan, maar ‘realistisch’ kun je Schaaps sprookjesachtige wereld vol zeemeerminnen toch niet noemen. Verderop noteert de jury: ‘De auteur heeft zich laten inspireren door sprookjes, schrijvers en thema’s als onbaatzuchtige vriendschap’, et cetera. Een schrijver die zich door schrijvers heeft laten inspireren, jeetje! En door thema’s!

Als het nou bij één misser bleef, hoefden we ons geen zorgen te maken. Maar het wemelt in het juryrapport van de taalfouten, tikfouten, onnavolgbare en krukkige zinnen, warrigheden, vaagheden, kinderachtige stijlbloempjes, armoedige herhalingen, clichés en platitudes. De inleiding houdt het midden tussen een stom onzinsprookje en een beleidsnota – het eerste in de beginzin: ‘Tweemaal per jaar is het feest in Griffelland’, het tweede in de gedachte die de jury formuleert over ‘hét kind’ dat niet bestaat, want: ‘Er is een bandbreedte in ontwikkeling die afhankelijk is van vele factoren.’

Een jury die zo pover schrijft, kan die wel lezen?

Onder de tien boeken die de jury een Zilveren Griffel toekende – en de facto nomineerde voor de Gouden Griffel – bevinden zich boeken die bij kritischer beschouwing tekortschieten. Zoals Bette Westera’s Was de aarde vroeger plat? Het idee is beter dan de uitwerking ervan: versjes over licht existentiële vraagstukken die eerder poëzie verdienen dan antwoorden; ze worden sleets. En Toen ik van Joke van Leeuwen, dat uniek Van Leeuweniaans is, maar niet, zoals haar beste werk, de spielerei overtuigend overstijgt. Prentenboek Handje van Tjibbe Veldkamp – over een meisje dat de dierentuin in glipt door van vader te ruilen – blinkt uit door de humor, maar maakt op andere punten minder indruk.

En in de parabel Het gelukkige eiland van Marit Törnqvist tref je vrij veel clichés aan (‘Ze zag oude bekenden en nieuwe gezichten. Rare snuiters en vreemde vogels’), maar de jury prijst juist de ‘goedgekozen woorden en precieze formulering’. En zou de jury goed nagedacht hebben over Suzanne Wouda’s Sabel, dat lof krijgt omdat het ‘een gezicht en een geluid’ geeft aan de kindertransporten van 1943? Wouda voorziet haar Holocaustverhaal van een hoopvolle boodschap – dat er altijd een ‘oplossing’ komt. Het is, zacht gezegd, nogal cru, dat ze haar tienjarige hoofdpersoon met dat vertrouwen de gaskamer in laat stappen. De jury noemt het ‘waardevol’.

En scheept andere, mooiere boeken af met draken van zinnen. Edward van de Vendel maakte met De zombietrein een uitstekende bundel gedichten in stripvorm. De gedichten bieden, zo zegt de jury, ‘volop gelegenheid tot identificatie. Poëtische, inspirerende identificatie wel te verstaan.’ (Verstaat u het?) ‘Inspirerend voor jong en oud’, dat is het compliment voor Pim Lammers, een debutant die een verhaal over transgender-zijn in de vorm van een eerlijk en onbekommerd prentenboek goot – het zodoende baanbrekende Het lammetje dat een varken is. Eerst staat er dat Lammers’ boek ‘op diverse niveaus’ gelezen kan worden, maar verderop staat: ‘De eenvoudige tekst en beeldende tekeningen spreken voor zich’, wat behalve zuinig ook inconsequent is.

Resteren er nog twee. Een non-fictieboek over de confrontaties tussen mens en dier in Zuid-Afrika, Wij waren hier eerst van Joukje Akveld: ‘Inzichtelijke informatie voor iedereen maar door de specifieke vertelwijze zeer toegankelijk voor kinderen’, juicht de jury weinig gloedvol. En een non-fictieboek over het recht, van rechtspraak tot rechtsstaat, grondig, glashelder en geestig tegelijk, De zweetvoetenman van Annet Huizing. ‘Een boek dat toegankelijkheid tot doel heeft verheven’: de jury snápte het! Maar het heet ook ‘subliem’, en dat is het. Het had beslist de Gouden Griffel verdiend, in een jaar zonder Lampje.

Update 1 oktober 2018: Na verschijning van dit artikel is het juryrapport offline gehaald.

    • Thomas de Veen