Je ziet de zon, lucht, zee en schelpen

Foto Walter Herfst

De geschiedenis van het beeld bij het skatepark ontrolt zich in een schuur aan de rand van het Zeeuwse ringdorp Dreischor. Kippen verkennen het gras onder een reusachtige trampoline, een roestende Landrover wacht in de zon.

Uit een kartonnen map rolt een plattegrond van de Westblaak uit 1980. Iedere ‘solitaire heester’, elke ‘lijnbaantegel’ en ‘bloemschaal’ is er gedetailleerd op ingetekend.

In dit deel van Rotterdam, zo bespreekt de ‘kommissie voor de percentageregeling’ in een openbare vergadering eind 1982, „wordt het verkeer naar de buitenkant geleid” waardoor in het midden een brede strook ontstaat, een „verblijfsruimte”. Naar voorbeeld van Valencia en Barcelona komen op deze middenberm tot wel 20 meter hoge bomen, paviljoens en „vrijplaatsen” voor kunst. De bebouwing eromheen is formeel, met veel kantoren. De kunstenaar moet daarom „met gevoel kunnen werken” en „een gebaar kunnen maken dat sterk genoeg is”.

Zwarte inkt

De kunstenaar maakt in zwarte inkt aan de commissie bekend waarom juist hij daar een kunstwerk zou moeten maken. Hij maakt beelden, schrijft David van de Kop, die „herinneringen zijn aan ruimte die mij boeide”.

Ieder weekend gaat Van de Kop dan al met vrienden, zijn vrouw en hun nog jonge dochter naar de caravan in het Zeeuwse Oosterland. Hij wandelt, rijdt paard, ze duiken. Hij is graag buiten. Het Zeeuwse land trekt. Met zijn gezin verhuist hij naar een authentieke vlasboerderij aan de rand van Dreischor. Ze wonen er niet ruim. De bedstee staat in de keuken bij het granito aanrecht. Maar het uitzicht is magnifiek, niets dan velden en leegte, zo ver als je kijkt.

De stalen constructies waarmee Van de Kop in de jaren ervoor zijn naam vestigde, maken langzaamaan plaats voor werk van hout en klei. Hij wil zijn werk met zijn handen kunnen vormen en kleuren. „Van ijzer word je niet wijzer”, zei hij eens.

De loods om in te hakken en kleien en de schuur ernaast waarin hij schildert en de beelden tekent, bouwt hij zelf. In de zomer staat de deur van het tekenatelier altijd open. Hij fluit, hij hakt. De boerderij bouwt hij uit tot een licht en modern huis.

Het kamelenzadel

Op het bureau ligt de puntentelling. Van de Kop krijgt van de commissie 13 punten, een andere kunstenaar 16 punten. Beiden mogen een beeld voor de middenberm ontwerpen. Van de Kop wint. Het ontwerp: twee grondplaten, met een krul op de een en een heuvel met dikke lagen op de ander. Het materiaal: roodbakkende chamotte klei met glazuur in geel, blauw en wit. Een bedrijf zal het beeld voor hem bakken en paneel voor paneel opmetselen. Met een schep steekt Van de Kop de panelen scherp af.

Het is niet moeilijk om in het beeld de zon, lucht, zee en schelpen te zien. Zijn dochter Ira herinnert zich de wandelingen naar de dijk. „Onderweg vertelde hij wat hij zag. Elk plantje en elke vogel kreeg een naam.” Ze was een tiener. Voor haar hoefde die natuur niet zo.

Dan de verkleurde foto’s, van augustus 1984. Een kraanwagen takelt het grote beeld in zijn geheel tussen de bloemperken. Een stapel losgetrokken bakstenen ligt er naast, vlak boven de metrobuis. Mannen in werkbroeken kijken toe hoe ook de witte krul de grond in gaat. De vrouw van de kunstenaar op haar rug gezien in een beige mantel. Hoekige auto’s rijden het beeld uit. Het kunstwerk kreeg geen naam. In de volksmond ging het het Kamelenzadel heten.

Van de Kop kreeg een hartaanval terwijl hij op een paard reed, volgend jaar 25 jaar geleden. Hij was pas 57 jaar oud. In het atelier in Dreischor liggen zijn schetsen en schilderijen nog altijd in platte dozen, op stapels, in lades. In de loods staan tussen de strandballen en legpuzzels zijn vele kunstwerken. De oudere werken van staal op de planken, de beelden van hout en klei op de vloer.

Zijn werk moet nog altijd worden uitgezocht en een mooie plek vinden, zegt zijn dochter. Ze moet verder. Het komt er niet van. Ze ging weer in haar ouderlijk huis wonen. Aan de muur hangen zijn zwart en witte houtdrukken met mythologische afbeeldingen: de dageraad, een paard. De namen van planten en dieren raakten in haar geheugen opgeslagen. „Als ik nu met de kinderen buiten ben, vertel ik wat ze zien.”

Najaar 1999 werd het beeld verplaatst om te passen in wat de culturele as ging heten, dwars door de binnenstad vanaf het centraal station. „In de dynamiek van de stad leiden beelden in de openbare ruimte een onzeker bestaan”, zei een bevriend kunstenaar bij die gelegenheid. Van de Kops beeld staat nu enkele tientallen meter verder, in een smallere berm aan de Rochussenstraat, tussen razend verkeer. De vingerafdrukken van de kunstenaar staan er nog in.

Zijn dochter vond het verplaatsen niet erg, het beeld was niet speciaal voor die plek gemaakt. Haar vrees is dat het ooit plaats moet maken voor asfalt of voor andere beelden. Dat het zal verdwijnen.

    • Esther Rosenberg