Foto David van Dam

‘Ik krijg de rillingen als ik aan mijn vader denk’

Ad Kaatee (61) werd als kind ernstig mishandeld door zijn ouders. Hij schreef er een boek over. Het pak rammel van zijn moeder voelde anders dan dat van zijn vader. „Mijn moeder dwong mij om te lachen, als ik weer eens moest huilen van ellende.”

Kinderen hebben een groot aanpassingsvermogen, zeggen ze weleens. Maar wie het levensverhaal van Ad Kaatee (61) leest, vraagt zich af hoe het kan dat hij nog leeft.

In zijn boek Blijven spelen! beschrijft hij het slaapritueel uit zijn kindertijd. Als zijn broertje en hij in hun stapelbed kruipen, zegt zijn vader dat ze niet meer mogen praten. „De deur slaat met een klap dicht. Het gordijn sluit het raam volledig af, waardoor er geen straaltje licht naar binnen valt. Ik wacht even en fluister in het donker iets tegen mijn broertje. Opeens krijg ik een daverende klap in mijn gezicht. Mijn vader was de kamer niet uitgegaan, maar had de deur alleen open en dicht gedaan. Daarna bleef hij stil staan in een hoek van de kamer.”

Op de snelweg trapt zijn vader een paar keer „als een bezetene” op zijn rem, waardoor kleine Ad op de stoel naast hem met zijn hoofd tegen het dashboard slaat. Hij schrijft: „Met mijn hand tegen mijn hoofd gedrukt kijk ik hem verbaasd aan en vraag waarom hij dat deed. [...] Hij kijkt me aan met een vreemde grijns en zegt: ‘ik moest even de remmen testen!’”

Kaatees boek – hij werkte er vijf jaar aan en gaf het in eigen beheer uit – leest als een monument voor mishandelde kinderen. Hij hoopt dat mensen uit zijn „oude milieu” het lezen en hield de prijs daarom bewust laag. „Kansarme mensen”, verduidelijkt hij. „Mensen in tehuizen en gevangenissen. Om te laten zien: er is licht aan het eind van de tunnel.”

We zitten aan de haven in zijn woonplaats Den Haag en kijken naar de boten en de meeuwen. Kaatee, een grote man met vriendelijke ogen, kijkt wat onzeker om zich heen. „Ik was bang dat je niet zou komen opdagen”, bekent hij. „Ik ben maar een simpele jongen van de Zeedijk.” Hij groeide op in Amsterdam.

Daar, op de Wallen, maakt hij als kind de meest vreselijke dingen mee. Maar hij doet ook mensenkennis op. „Ik herken de onrust van de gokker, de grijns van de heler, de eenzame ziel, de lege ogen van de moordenaar en de valse blik van de sadist”, schrijft hij. „Iedere avond stroomt het hier weer vol en wordt iedereen van zijn geld afgeholpen. Goedschiks of kwaadschiks.”

Gedicht

De types van de Wallen ziet hij terug als hij als tienjarige naar een katholieke inrichting in Amersfoort wordt gestuurd, omdat zijn ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet. Hij wordt misdienaar en pikt de hoerenlopers, gokkers en sadisten zo tussen de kerkgangers uit. „Met gevouwen handen en een schijnheilig gezicht. Hun aanwezigheid maakt me nerveus en het lukt me nooit om mijn aandacht bij de mis te houden. Voortdurend leg ik de spullen op de verkeerde plek terug en zwaai op de verkeerde momenten met de bel.”

Blijven spelen! is doorspekt met absurdistische en tragikomische passages – allemaal waargebeurd, zegt hij. Zoals de keer dat hij in het tehuis wordt opgesloten in een kamer met een stinkende non, die dood blijkt te zijn. Of als hij – een kleuter nog – ziet dat zijn vriendje wordt overreden door een vrachtwagen. „Hansie heeft geen hoofd meer”, zegt hij tegen zijn moeder. De dagen na het ongeval leert hij een gedicht van Joost van den Vondel uit zijn hoofd, dat hij ook nu nog moeiteloos voordraagt:

Moeder, zeit hij, waarom schreit gij

waarom greit gij op mijn lijk?

Boven leef ik, boven zweef ik,

engeltje van ’t hemelrijk.

Mauthausen

Pas als hij wat ouder is vertelt zijn moeder waarom zijn vader op de Wallen wilde wonen; het is een van de weinige plekken waar ‘foute Nederlanders’ vlak na de oorlog worden gedoogd. „Ik heb mij nooit verdiept in het oorlogsverleden van mijn vader”, zegt hij. „Daar krijg ik koude rillingen van. Maar ik weet wel dat hij kampbewaker is geweest in Mauthausen en na de oorlog geen Nederlands staatsburger meer mocht zijn.” Zijn vader werd stateloos en verloor zijn recht op een uitkering. Nu en dan verdiende hij zwart wat „op de vrachtwagen”.

„Een eng mens”, noemt hij zijn vader. Of die nou aan een persoonlijkheidsstoornis leed, zoals een arts vermoedde, of een sinistere inborst had, zoals Kaatee denkt, het boezemt hem angst in. Hij is altijd en overal op zijn hoede. „Soms denk ik: waarom heeft hij mij niet doodgemaakt? Ik kan me nóg zijn grijns herinneren als hij mijn moeder sloeg. De rode kleur van opwinding. Het genot.”

Dat zijn moeder hem als kind ook heeft geslagen, heeft hij haar lang kwalijk genomen. Al voelde haar pak rammel toch anders dan dat van zijn vader. „Ze wilde mij dwingen om te lachen als ik weer eens huilde om de misère thuis. Zelf is zij als kind ook mishandeld, door haar zigeunerouders op het Oostenrijkse platteland.”

Foto David van Dam

Blijven lachen! – zo had zijn boek ook kunnen heten. Maar het werd dus Blijven spelen!, een uitspraak van zijn moeder op haar sterfbed. Zij herkende het muzikale talent van haar zoon en besefte dat muziek wel eens zijn reddingsboei zou kunnen zijn. Kaatee had toen al meerdere instituten voor moeilijk opvoedbare kinderen doorlopen, was afgekickt in een drugskliniek en worstelde met relaties. Halverwege het boek schrijft hij: „Ik hoef niet meer voor mezelf op de vlucht, maar ben van binnen nog steeds een chaos en nog lang niet in staat om iets op te bouwen.”

Na het zoveelste kopje koffie trekt Kaatee een gitaar uit een koffer. „Nylonsnaren met een echte kast.” Met dromerige blik begint hij flamenco te spelen. Hij sluit zijn ogen en waant zich in de Spaanse steden die hij afstruinde, op zoek naar zingeving. „Heb je gelezen dat ik een gitaar van spijkers, planken en waslijnen heb gemaakt in het tehuis? Mijn gitaar was als de kruk waar ik op kon leunen om te overleven. Ik zag of hoorde niets meer als ik speelde. Vertoefde in een betere wereld. Dat gaf mij troost.”

In zijn herinnering ontwaakte zijn liefde voor de gitaar in de werkplaats van het katholieke instituut, waar de radio altijd aan stond. Maar in zijn boek beschrijft hij hoe er in zijn kleutertijd al Zuid-Amerikaanse muziek over de Zeedijk schalde, om de matrozen naar binnen te lokken.

Worstelen met de naam

Na veel omzwervingen vond Kaatee negen jaar geleden werk als muziekdocent op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen. Hij reageerde op een advertentie in de krant. Ook zonder diploma kon hij meteen aan de slag.

Maar een nieuwe directeur wilde nieuw beleid. Er werd bezuinigd op gymnastiek en muzieklessen. Kaatee leeft sinds juli van een uitkering. Hij maakt wel nog steeds muziek. Onbezoldigd.

Zijn vriendin en hun drie zoons houden hem overeind. „Klein van stuk, maar groot van karakter”, typeert hij zijn grote liefde. Dat zij het al een kwarteeuw met hem uithoudt, vindt hij een wonder. „Ik ben er vaak tussenuit geknepen. En Marjolijn maar lege flessen inleveren om boodschappen te kunnen doen.”

Lange tijd heeft Kaatee geworsteld met zijn naam. Hij is vernoemd naar Adriaan, een van de zes broers van zijn vader. Waar zijn vader de kant van de Duitse bezetter koos, sneuvelde zijn oom als verzetsstrijder in een concentratiekamp. „Mijn vaders familie wilde na de oorlog niets meer met hem te maken hebben. In een poging zijn erfenis veilig te stellen, ben ik naar zijn broer vernoemd. Met succes; mijn oma kon haar geluk niet op.”

Lees ook het interview met Dore van Duivenbode: ‘Vanaf mijn zestiende ging het alléén nog over Auschwitz’

Zijn vader en oom zijn voor Kaatee „twee tegengestelde krachten”. De een remt hem af, de ander geeft hem hoop. Die dubbelheid verwart hem, ondanks vele jaren therapie.

Als om de ban te breken ging hij 4 mei voor de televisie zitten. Hij dacht aan de mensen die zich schamen voor hun foute ouders. Hij dacht aan de rouwenden die naasten verloren. Bij wie hoor ik, vroeg hij zich af.

Hij kwam er niet uit. Dus zoefde hij in gedachten over de Dam. Via het nationaal monument naar hotel Krasnapolsky en dan door naar links, naar de rosse buurt, waar zijn leven begon. „Eén ding weet ik zeker”, zegt hij. „Het leven is crazy.

Ad Kaatee: Blijven spelen! Niet verkrijgbaar in de boekhandel, wel via boekenbestellen.nl. 320 blz, 12,50 euro.
    • Danielle Pinedo