In de rechtbank van Maastricht, 1971.

Foto familiearchief

Max Moszkowicz bokste zich door de oorlog

Biografie Max Moszkowicz overleeft vier concentratiekampen. Na de oorlog wordt hij de bekendste strafadvocaat van Nederland. ‘Echt intrinsiek slechte mensen bestaan niet’, is zijn credo. Volgende week verschijnt zijn biografie De bokser.

Advocaat Max Moszkowicz (1926) kon pleiten als geen ander. Hij had de gave van het woord. Met grote beminnelijkheid en met erkenning van het gezag van de andere procesdeelnemers wist Moszkowicz in de rechtszaal ‘de feiten’ op een andere manier te rangschikken. Hij bracht de rechter ermee aan het twijfelen. „Dat was kunstig om mee te maken”, zegt de voormalige baas van het Openbaar Ministerie Harm Brouwer. „Het leek wel een toneelstuk.”

Als advocaat Max Moszkowicz – bij de Limburgse balie ingeschreven van 1958 tot 2013 – de rechtszaal betrad, gingen rechters en aanklagers er eens goed voor zitten. Ze verheugden zich op de komst van de meesterlijke verhalenverteller. Moszkowicz had volgens strafrechtgeleerde Jan Leijten het talent je tijdens het pleidooi steeds het idee te geven dat je moest blijven luisteren, want straks komt er iets héél bijzonders.

Toch was er een onderwerp waar zelfs de welsprekende Max Moszkowicz bij voorkeur over zweeg. „Max praatte met mij bijna niet over de oorlog”, zegt Bertha Bessems, met wie hij in 1948 in de kerk van de Limburgse plaats Amby trouwde. „Hij wilde er niet over praten”, vertelt rabbijn Jakob Friedrich in Antwerpen, vriend en geestelijk raadsman van Moszkowicz. Geconfronteerd met het drama van de oorlog was het altijd alsof zijn keel werd dichtgeknepen. De Holocaust viel volgens hem niet uit te leggen en kan niet worden begrepen.

Bertha en Max in 1946 in Amby. Foto familiearchief

Een reconstructie van wat Max Moszkowicz in het concentratiekamp heeft meegemaakt is wel mogelijk op basis van archiefonderzoek. Toeval en geluk zullen Moszkowicz in belangrijke mate hebben geholpen de Holocaust te doorstaan. Uit Duitse oorlogsarchieven, uit getuigenverklaringen van andere gevangenen die op dezelfde plekken verbleven en uit gesprekken met zijn vrienden, blijkt dat Max Moszkowicz op beslissende momenten evenwel het lot ook een handje wist te helpen.

De gruwelijkste periode uit het leven van Max Moszkowicz begint op 24 augustus 1942. Zeshonderd Limburgse joden ontvangen die maandagochtend een door de politie aan huis bezorgde ‘oproeping’ van SS-Hauptsturmführer Karl Wörlein van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung te Amsterdam. Zij moeten zich de volgende dag om 16.00 uur verzamelen bij een schoolgebouw achter het centraal station van Maastricht voor „deelname aan werkverruiming in Duitschland”. Ze mogen één koffer of rugzak per persoon meenemen.

Op dinsdag 25 augustus, tegen middernacht, worden de Limburgse joden per trein afgevoerd naar Drenthe. Een kleine maand later, op maandag 21 september 1942, wordt Max Moszkowicz met zijn familieleden vanuit kamp Westerbork per trein verder naar Polen gedeporteerd. Het is een van de 93 treinen die vanuit deze plaats naar de vernietigingskampen in Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt, Bergen-Belsen, Buchenwald en Ravensbrück zullen vertrekken.

In de trein is de dan vijftienjarige Max Sanitäter, zo blijkt uit de indelingslijst van het transport die in de archieven van het Nederlandse Rode Kruis bewaard is gebleven. Met een verbandtrommel en een emmer water wordt hij geacht onderweg te zorgen voor goede hygiënische omstandigheden. Het personentransport telt 713 gevangenen. Van hen zal alleen Max Moszkowicz, na 954 dagen gevangenschap, levend terugkeren.

Het ouderlijk gezin, halverwege de jaren dertig: Abraham Moszkowicz, zoon Max, dochter Helga en moeder Feiga Raab.Foto familiearchief

Zijn moeder Feiga Raab (1902), zijn zusje Helga (1930) en broertje Joop (1940) worden in september 1942 meteen bij aankomst in Auschwitz vergast. Max en zijn vader Abraham (1902) krijgen een plek in een van de barakken. De joodse tiener zal de jarenlange opsluiting, de slavenarbeid, het mishandelen en het uithongeren in de kampen van Auschwitz, Mauthausen, Melk en Ebensee doorstaan.

Oersport

Een van de manieren waarop Max Moszkowicz het kampleven overleefde, was door te boksen. In Auschwitz worden vanaf de zomer in 1942 vrijwel iedere zondag bokswedstrijden georganiseerd. De Duitsers zijn dol op boksen. Het is een overzichtelijke oersport: twee kerels die met hun vuisten bepalen wie de sterkste is. Moszkowicz is thuis in die sport. De eerste lessen in de noble art of self-defense krijgt hij voor de oorlog op een boksschool boven een bakkerij in stadsdeel Wyck in Maastricht. Léonard Salomon is zijn boksleraar. Moszkowicz ontwikkelt naar eigen zeggen „een verdomd goede linkse hoek”.

Bij de bokswedstrijden in kamp Auschwitz is een voorname rol weggelegd voor de joodse Rotterdammer Leen Sanders (1908). Hij was in de jaren twintig en dertig meervoudig Nederlands kampioen in het vedergewicht en later middengewicht. In januari 1943 wordt Sanders samen met zijn echtgenote Sellina (32) en zoontjes Josua en David (10 en 8) naar Auschwitz gedeporteerd. Zijn vrouw en kinderen worden er vermoord.

Leen Sanders

Foto privéarchief Josua Ossendrijver

Leen Sanders wordt in het kamp herkend door een SS’er die hem voor de oorlog in een sporthal in Berlijn heeft zien boksen. De Duitsers regelen dat Sanders in Auschwitz bokslessen geeft aan personeel van de keuken en aan bewakers. Sanders wordt betaald met eten, dat hij onbaatzuchtig uitdeelt aan andere Nederlanders, zoals vader en zoon Moszkowicz. Ze krijgen soms een liter extra soep en brood.

Rotterdammer Sanders groeit uit tot de held en regelneef van een groep Nederlandse gevangenen die zich met het boksen bezighoudt. Gevangene Coen Schimmer omschrijft Sanders na de oorlog tegenover het NIOD, het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies in Amsterdam, als de barmhartige aanvoerder van de „gemeenschap der krachtpatsers” die de Nederlandse lotgenoten ondersteunde. Schimmer noemt Leen Sanders „een prachtkerel. Over hem kan je niets dan goeds vertellen”.

De jonge Max Moszkowicz wordt opgenomen in het gezelschap van vuistvechters. Na de oorlog vertelt hij vriendin Jeannette Waage dat hij in het kamp regelmatig tegenover Duitsers in de ring stond. „Max zei dat hij overleefde doordat hij kon boksen.”

Dodenmars

Max Moszkowicz en zijn vader Abraham zitten in Auschwitz niet in dezelfde barak, maar kunnen elkaar in het kamp wel dagelijks treffen. Vader en zoon vormen een opvallend koppel. Een enkele gevangene verklaart na de oorlog over de twee mannen uit Maastricht. Verzetsstrijder Hans Beckman, die in juni 1942 in Auschwitz wordt opgesloten, schrijft na de oorlog in zijn memoires dat hij enige tijd naast Abraham Moszkowicz in de Krankenbau lag. Hij bewaart warme herinneringen aan vader Moszkowicz die „urenlang kon praten over de moeilijkheid om onder deze omstandigheden je kinderen op te voeden”.

De laatste maanden van de oorlog raken Abraham en Max Moszkowicz door de beruchte dodenmarsen van elkaar gescheiden. In januari 1945 begint het Russische Rode Leger aan een snelle opmars naar het westen. De Duitsers moeten het concentratiekamp Auschwitz in Polen halsoverkop ontmantelen. Zo’n 60.000 gevangenen worden geëvacueerd. Te voet en per trein zijn de verzwakte mannen en vrouwen in bittere koude dagenlang onderweg.

De mars verloopt in wanorde. Zij die niet snel genoeg lopen, worden door de bewakers neergeschoten en sterven langs de kant van de weg. Een op de vier gevangenen overleeft de tocht niet. Een deel van de reis wordt afgelegd in kolenwagons, met 120 personen in iedere wagon. Lijken vriezen vast aan de bodem. Na een reis die uiteindelijk zeven dagen zal duren, bereikt Max Moszkowicz op donderdag 25 januari 1945 het kamp Mauthausen in Oostenrijk.

De eerste die hij daar ontmoet, is de elf jaar oudere Herman Coenradi, die een levenslange vriend van hem zal worden. Coenradi, lid van de in 1940 in Arnhem opgerichte verzetsgroep Oranjewacht, zit al sinds september 1944 gedetineerd in dit grootste concentratiekamp op Oostenrijkse bodem. Hij ontvangt de totaal uitgeputte Nederlandse gevangenen uit Auschwitz met een metalen ketel, gamel, vol thee.

Nederlandse verzetsstrijders in kamp Mauthausen weten voor hun zojuist gearriveerde landgenoten te regelen dat ze met voorrang geregistreerd worden, zonder uren wachten. De kampautoriteiten beschikken niet over de documentatie en gevangenenkaarten van Auschwitz. De nieuwkomers moeten zich opnieuw laten inschrijven.

Max Moszkowicz neemt op dat moment een brutaal besluit. Hij kiest voor een geheel nieuwe identiteit. Dit blijkt uit zijn in de Duitse archieven bewaard gebleven Häftlings-Personal-Karte. Moszkowicz is niet langer scholier, zoals in Auschwitz nog op zijn gevangenenkaart stond, maar kok. Hij wordt ingeschreven onder het nieuwe nummer 117.193. Hij verandert zijn geboortedatum en maakt zichzelf precies twee jaar ouder. Dat maakt het ook aannemelijker dat hij, zoals hij zelf opgeeft, is gearresteerd omdat hij een Nederlandse politieke gevangene is. Schutzhaft, staat er bovenaan de kaart.

Hij laat zich bovendien registreren als protestant en kiest de achternaam Raab, de meisjesnaam van zijn moeder. Voor zijn moeder verzint hij een geheel nieuwe achtergrond. Juliana de Gro(o)t, is volgens Häftling Max haar naam – het lijkt een regelrechte verwijzing naar de Nederlandse kroonprinses. Volgens de gevangenenadministratie is Max Moszkowicz vanaf dat moment geen jood meer.

De nieuwe papieren persoonlijkheid verschaft Max Moszkowicz een hogere status binnen de hiërarchie die de SS hanteert voor de gevangenen. De overlevingskansen – de leef- en arbeidsomstandigheden – van een in Nederland geboren en goed Duits sprekende politieke gevangene zijn in het concentratiekamp een stuk groter dan die van joodse gevangenen. Joden staan samen met zigeuners het laagst in de pikorde van de nazi’s.

Abraham Moszkowicz is naar het zich laat aanzien een van de laatste personen die na de dodenmars vanuit Auschwitz in Mauthausen wordt ingeschreven. Hij heeft zijn zoon Max daar waarschijnlijk niet meer gezien. Na registratie worden gevangenen meteen in quarantaine geplaatst, omdat de Duitsers bang zijn voor besmettelijke ziektes. Abraham Moszkowicz krijgt nummer 121.707 en wordt wel opnieuw geregistreerd als Jude. Hij wordt eind januari 1945 naar een ander kamp gestuurd dan zijn zoon, die naar het Lager Melk gaat. Abraham wordt gedeporteerd naar kamp Ebensee, ook in Oostenrijk. Daar komt Max Moszkowicz drie maanden later ook terecht, als kamp Melk, net als Auschwitz, moet worden ontruimd voor naderende Russische soldaten.

Bij aankomst in Ebensee krijgt Max Moszkowicz van andere gevangenen te horen dat zijn vader niet meer leeft. Drie weken voor de bevrijding, op 15 april 1945, wordt Abraham Moszkowicz in Aussenkommando Ebensee door de Duitsers met een spuitje in het hart vermoord. Abgespritzt, noemde de SS dat. Hij wordt 42 jaar.

In het tussen de naaldbossen verstopte gevangenisoord van Ebensee ziet Max Moszkowicz hoe de laatste Duitse soldaten en kampbewakers op de loop gaan voor naderende Amerikaanse militairen. Op 6 mei 1945, even voor 15.00 uur, is de oorlog voor hem voorbij. Die zondagmiddag rijden de eerste twee Amerikaanse tanks en een jeep door de poort van het kamp naar binnen. Twee dagen later verlaat Moszkowicz in gezelschap van drie oudere Nederlandse gevangenen, verzetsstrijders, het concentratiekamp. Ze lopen, fietsen en liften samen terug naar Nederland.

Tien dagen later is Max Moszkowicz terug in Maastricht. Een Amerikaanse jeep zet hem af voor de Cinema Palace. De jongen draagt nog kampkleding en hij heeft oedeem en vlektyfus. Zesenveertig kilo verdriet.

Max Moszkowicz, kort na de oorlog. Foto familiearchief

Gestreept monster

Duizenden voormalige nazi-gevangenen leggen na de Tweede Wereldoorlog wereldwijd bij organisaties als het Rode Kruis of bij holocaustcentra verklaringen af over hun lotgevallen. Moszkowicz weigert na de bevrijding met onderzoekers te praten over wat hem is overkomen. Hij kan niet praten over zijn oorlogsverdriet en hij vindt bovendien dat het Nederlandse Rode Kruis heeft gefaald. Vooral na de oorlog is deze organisatie volgens hem tekortgeschoten in de opvang en repatriëring van de slachtoffers van de nazi’s.

Toch zit er in de archiefstukken van het NIOD een nooit eerder opgemerkt persoonlijk oorlogsdocument van Max Moszkowicz. Het is de uitgetypte tekst van een met potlood geschreven dagboek dat Moszkowicz in mei 1945 heeft bijgehouden.

Met veel uitroeptekens schrijft de achttienjarige gevangene over de finale uren van de oorlog. Hij is in zijn barak van het concentratiekamp Ebensee en hoort de bevrijders naderen. „Ik lig nu op mijn kooi en denk hoe het nu zijn zal. Eén ding staat vast. Ik voel dat het raar zal zijn om weer als gewoon mens en niet als gestreept monster in een Lager, iedere minuut om je leven te vechten”.

Moszkowicz heeft het persoonlijke verslag in 1954 aan het NIOD verstrekt. Het lijkt wel of hij heeft geaarzeld om zijn aantekeningen publiek te maken. Zelfs zijn eigen familieleden vertelt hij niet dat hij de tekst in het archief in Amsterdam laat opslaan. Het document ligt er tussen mappen vol getuigenissen verstopt onder een andere naam. Moszkowicz bedient zich opnieuw van het pseudoniem Max Raab.

Het dagboek, voorzien van het vooroorlogse familieadres Grote Gracht 4 in Maastricht, is ook een reisverslag van de eerste dagen die Moszkowicz met zijn drie metgezellen in vrijheid doorbrengt. Ze slapen op een boerderij in een hooiberg en krijgen er een echt ontbijt. „Het eerste eitje in vier jaar”, jubelt Moszkowicz. Onderweg stelen de Nederlanders van „vier nazi’s” de rijwielen om sneller vooruit te kunnen. Langs de Oostenrijkse plaatsen Ampflwang im Hausruckwald en Ried im Innkreis verloopt de tocht naar het noordwesten.

Bij de Oostenrijks-Duitse grens merkt Moszkowicz dat zijn gemiddeld vijftien jaar oudere „kameraden” van vermoeidheid niet verder kunnen. Ze besluiten „een helen dag” te rusten. Textielhandelaar Chris Gelderman uit Oldenzaal, schoenenverkoper Herman Coenradi uit Arnhem, de Rotterdamse boekhouder Leendert van der Meijden en de gymnasiumstudent uit Maastricht Max Moszkowicz slapen in een koeienstal in de Graf Zeppelinstraat in het Duitse dorp Auerbach bij de grensplaats Passau.

Na een tocht van tien dagen zijn ze terug in Nederland. Chris Gelderman, die later ook zijn oorlogsgeschiedenis voor zijn familieleden noteert, omschrijft zijn reisgenoten als „dappere” mannen. Max Moszkowicz mijmert in zijn dagboek over de toekomst. Hij heeft grote voornemens. Hij schrijft iets „voor de mensheid” te willen gaan doen, oorlogsmisdadigers opsporen. „Nazi’s zoeken en te zorgen dat het woelen hun nooit meer mogelijk gemaakt wordt.”

Een van de door Mozes Weiden Gotlieb gemaakte tekeningen uit het notitieblokje van Moszkowicz. Foto familiearchief

Verliefd

Max Moszkowicz koestert zijn hele leven het originele exemplaar van zijn oorlogsdagboek. Het kleine notitieblokje van tien bij vijf centimeter houdt hij opgeborgen in de kluis van zijn advocatenkantoor. Het dagboek is nu in bezit van zijn oudste, in 1950 geboren zoon David Moszkowicz. Hij toont het me. Op de kaft is de gestreepte kampstof uit Auschwitz geplakt. Het schriftje is door de Poolse medegevangene Mozes Weiden Gotlieb in het kamp geïllustreerd met tekeningen. De eerste pagina bevat een goed gelijkende schets, en profil, van de jonge Max Moszkowicz met pet. Op een andere tekening is het crematorium te zien van het concentratiekamp Melk, met rokende schoorsteen, een omheining van prikkeldraad en vermoedelijk een zelfportret van de tekenaar.

Op de opvallendste prent staat Max Moszkowicz samen met een vrouw. Hij blijkt in de vernietigingsfabriek van Auschwitz verliefd te zijn geworden op de joodse Slowaakse Margit Fuchsova. De tekening toont linksboven het hoofd van Max in zijn gestreepte gevangenispak met zijn kampnummer 65016. Rechtsonder is Margit afgebeeld met een grote bos krullen en het nummer 4178. Tussen hen in zijn twee grote harten getekend met de initialen M.F. en M.R. (Max Raab) en de tekst K.L. Auschwitz.

Een van de door Mozes Weiden Gotlieb gemaakte tekeningen uit het notitieblokje van Moszkowicz.
Foto familiearchief
Een van de door Mozes Weiden Gotlieb gemaakte tekeningen uit het notitieblokje van Moszkowicz.
Foto familiearchief

Max Moszkowicz heeft Margit Fuchsova in de zomer van 1944 leren kennen toen ze allebei door kampbewaarders werden ingeschakeld bij het uitladen van een goederentrein in Auschwitz. Moszkowicz staat meteen „in vuur en vlam” verklaart hij later in interviews. Op een van de logeeradressen op de weg terug naar huis verlangt hij nog steeds naar haar. „In de boerderij is een meisje, dat veel op Margitt lijkt. [Hij spelt haar naam foutief met dubbel t, red.] Ik heb drie jaar in een K.L. (Konzentrationslager, red.) gezeten, maar blijf moraal (voor Margitt). Zij naait nu mijn jasje”.

Eenmaal in Nederland stuurt Max Moszkowicz brieven naar het Rode Kruis in een poging te achterhalen waar Margit Fuchsova is. Hij krijgt bericht dat de vrouw de oorlog eveneens heeft overleefd, maar dat ze inmiddels is getrouwd met een Russische militair en een kind heeft. Moszkowicz staakt de zoektocht.

Smeerlappen

Ook na de meidagen van 1945 houdt de oorlog niet op voor Max Moszkowicz. Eenmaal terug in Limburg worstelt hij met de vraag hoe het mogelijk is dat God de oorlogsterreur heeft toegelaten en waarom uitgerekend hij, als enige van zijn familie, de verschrikkingen overleefde.

In Maastricht blijven velen hem zien als ‘ne joed’ (een jood) en een indringer in hun katholieke stad. In de Limburgse balie zitten collega’s die tijdens de oorlog heulden met de Duitse bezetter. In Maastricht doet bovendien, tot op de dag van vandaag, een vals gerucht de ronde dat Moszkowicz niet in Auschwitz heeft gezeten. Het kampnummer zou hij zelf in zijn linkerarm hebben gekerfd.

Alleen door heel hard te werken, kan Moszkowicz na de oorlog voorkomen dat hij met zijn gedachten niet voortdurend terugkeert naar de concentratiekampen. „Ik moet werken om te vergeten”, zegt hij steeds. Door zijn werklust, zijn juridisch en zakelijk talent en een uitstekend gevoel voor publiciteit zal hij na de oorlog veel succes boeken als strafpleiter. Eerst alleen en later met zijn vier zonen David, Robert, Max jr. en Bram, die allemaal advocaat zullen worden. Ze vormen in de jaren tachtig de maatschap Moszkowicz, Moszkowicz, Moszkowicz, Moszkowicz & Moszkowicz advocaten.

Moszkowicz met zijn zoons in 1982. v.l.n.r: David, Bram, Max sr., Robert, Max jr.Foto Leo van Velzen/De Beeldunie

„Echt intrinsiek slechte mensen bestaan niet”, is zijn lijfspreuk. Een opvallende opvatting voor iemand die slachtoffer werd van de wreedheid van de nazi’s. Toch was het zijn diepgewortelde overtuiging. Als advocaat las hij wel eens in strafdossiers over verdachten die zich als „een beest” hadden gedragen. Maar eenmaal in gesprek met die criminelen en na zich te hebben verdiept in hun persoonlijke omstandigheden, merkte hij naar eigen zeggen toch dat ook zij „meestal het slachtoffer zijn van diep tragische omstandigheden en met een juiste begeleiding weer op het goede spoor gebracht kunnen worden”. Max’ vriend, jeugdpsychiater René Cardynaals, verbaasde zich over zoveel vergevingsgezindheid. „Moszkowicz kon niet accepteren dat mensen simpelweg smeerlappen kunnen zijn.”

Er zijn mensen die vreemde wrede dingen doen, maar die zijn volgens Moszkowicz psychisch gestoord. Ziek. Door het leven de weg kwijtgeraakt en daar kunnen ze niks aan doen. Om die reden ziet Moszkowicz het niet als een bijzonder zware opgave om tientallen jaren lang elke verdachte van een misse daad bij te staan. De advocaat verdedigt immers niet de daad, maar de dader.

Doordat hij zelf heeft ervaren wat het is om niet vrij te zijn, kan Moszkowicz zich naar eigen zeggen ook als geen ander verplaatsen in de gevoelens van gevangenen. „Mijn vader zag de verdachte altijd als een underdog”, zegt zijn jongste zoon Bram Moszkowicz. „Hij bokste op tegen de Staat der Nederlanden.”

    • Marcel Haenen