Opinie

    • Beatrice de Graaf

Een verdampende vredesmythe

In de stralende zonneschijn dromden de deelnemers aan het congres door de smalle straten van Münster. Sommigen bleven hangen bij de bierbrouwerijen die berucht waren vanwege hun naturtrübe drank, anderen haastten zich verder naar het Haus der Niederlande. Het had een scene uit 1648 kunnen zijn, toen honderden diplomaten uit heel Europa zich naar Münster (en Osnabrück) begaven om over het aanstaande vredesverdrag te onderhandelen dat een einde aan de Dertigjarige cq. Tachtigjarige Oorlog moest maken.

Maar dat was het niet. Dit waren zo’n 3.000 historici uit alle Duitse deelstaten, plus, net als in 1648, een delegatie uit Nederland, die op de 52e Duitse Historikertag samendromden om de stand van de geschiedschrijving te bespreken. Er waren panels over de te lang uitgebleven geschiedschrijving van alledaags racisme in moderne westerse samenlevingen, over de onderschoven rol van sentimenten, en over de noodzaak meer aandacht te besteden aan ‘culture wars’ in de geschiedenis.

Natuurlijk ging het ook over de Vrede van Münster en het Systeem van Westfalen. Eerder al had Bondspresident Steinmeyer geopperd dat de Vrede van Münster wel eens een prachtige blauwdruk kon vormen voor een nieuw vredesproces in het Midden-Oosten. In Münster werd immers ook geworsteld met vraagstukken van religieus sectarisme, met bemiddeling in asymmetrische conflicten, en werden er door de toenmalige diplomaten ook allerlei inventieve methodes bedacht om die obstakels voor de vrede uit de weg te ruimen.

Om katholieken en protestanten niet in elkaars vaarwater te laten komen, vond de conferentie plaats in twee steden, bijvoorbeeld. En landen van buitenaf, Frankrijk en Zweden, werden gevraagd te bemiddelen in interne conflicten van het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie.

De Marburgse historicus Christoph Kampmann meende dat zoiets ook voor Syrië en Irak te bedenken viel. Voor de Nederlandse postkoloniale historici Remco Raben en Ozan Ozavci was dat echter een affront. Hoezo zou de wereld van dat Westfaalse Systeem en de Vrede van Münster moeten leren? Had die mythe niet genoeg kwaad aangericht, en waren er in de niet-westerse wereld niet minstens zulke relevante modellen aan te wijzen voor nieuwe vredesverdragen elders op de wereld? Wat te denken van het zogeheten Mandala-systeem in Zuidoost-Azië?

Bovendien, zo’n succes was het Verdrag van Münster helemaal niet. De oorlogen in de koloniale wereld, tussen Nederland en Portugal in de Amerikaanse koloniën bijvoorbeeld, of elders in Europa, gingen gewoon door, en de ergste religieuze vervolgingen (van de Hugenoten) moesten nog komen. Van de vermeende scheiding van kerk en staat in de internationale politiek die in Münster zou zijn voltrokken, was op heel veel plaatsen nog niets te merken. Sektarisch geweld laaide gewoon weer op. Bovendien waren de vruchten van dat nieuwe internationale systeem voor veel landen en delen van de wereld wrang; dat vermeende Europese statenstelsel was aanvankelijk niet open en inclusief, maar een gesloten machtsbolwerk van rijke landen dat gezamenlijk de rest van de wereld trachtte te onderwerpen.

Maar toch. De historicus Johannes Paulmann vatte het lucide samen: 1648 was een succes, niet in de onmiddellijke praktijk van vredeshandhaving, maar juist als mythe met al z’n beperkingen. Met het Verdrag van Münster werd in de decennia daaropvolgend door staatsleiders en experts het idee ter wereld gebracht dat je überhaupt met elkaar zoiets als een internationaal statensysteem kon maken. En ook al voltrok dat proces van staats- en natievorming zich bij lange na niet zo lineair en positivistisch, de mythe was geboren. En werd daarna steeds weer omarmd, gebruikt en misbruikt.

In 1713 deed de Vrede van Utrecht een beroep op de vermeende lessen van 1648, in 1815 werd het recht van staten op zelfstandigheid en non-interventie vastgeschreven, en in 1918 en 1945 kreeg dat moeizame en soms opportunistische ‘maakproces’ opnieuw een zwengel.

En waarom? Omdat na elke grote oorlog de overlevende leiders beseften dat ze moesten blijven sleutelen aan die mythe van de maakbaarheid van het internationale statensysteem omdat anders andere modellen onherroepelijk weer de kop op zouden steken: die van het bellum omnium contra omnes van de 16e eeuw, de keiharde regionale verdeel- en heerspolitiek van de 18e, de imperialistische rat-race van de 19e of de ideologische survival-of-the-fittest van de vroege 20e eeuw.

Misschien gaat het jaar 2018 in de boeken als kantelpunt in de geschiedenis van het internationale statensysteem. Op 25 september 2018, zo zullen historici wellicht concluderen, verdampte de mythe dat staten met elkaar willen werken aan een systeem van vredeshandhaving en regulering. Een regionale machtspoliticus verklaarde die dag voor de Verenigde Naties dat het tijd was om terug te keren naar het beproefde model van autarkie, protectionisme en nationale Alleingang. Alleen zo zouden staten in onderlinge concurrentie elkaar naar de kroon stekend groots kunnen worden. Een oud spook was uit de mottenballen gehaald, en bleek nog springlevend.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.
    • Beatrice de Graaf