Recensie

Een stuk hout dat siddert en spint door de historie

Johan de Boose De Vlaming De Boose schreef een roman waarin een vervloekt stuk hout de geschiedenis beziet. Zinnen van bovengemiddeld kaliber, maar een lezer laat zich niet zo makkelijk aan een stuk hout binden als Christus dat liet gebeuren.

Wel meer schrijvers beheersen de kunst van het weglaten, maar de Vlaming Johan de Boose gaat met zijn nieuwste roman wel heel ver. Nergens in of op het boek wordt vermeld dat Het vloekhout het laatste deel is van de romantrilogie die dezelfde naam draagt als dit derde deel; eerder verschenen Gaius (2013) en Jevgeni (2014). Een curieuze omissie? Of dienen we Het vloekhout los te lezen van die eerdere delen?

In de roman zijn in elk geval aardig wat elementen aanwezig die we ook in Gaius en Jevgeni aantroffen. De mannen aan wie de romans hun naam ontleenden bijvoorbeeld, maar ook Keizer Nero, Jesjoea (beter bekend als Jezus Christus) en Andrej Roebljov, Russisch iconenschilder doen nog een ronde mee.

Centraal staat een stuk olijvenhout dat op verschillende tijdstippen dienst doet in een nieuwe gedaante. In het oude Jeruzalem hakt men de boom om en maakt men er het kruis van waar Christus aan kwam te hangen, later schildert men er in Rusland een icoon op, weer verderop in de tijd gebruiken bolsjewieken het als een schietschijfje, waarna de schilder Malevitsj het plankje weer met veel liefde opknapt.

Het stuk hout siddert en spint van genot onder deze gebeurtenissen; De Boose heeft het een bewustzijn en een stem gegeven. De martelingen en liefkozingen zijn evenwel niet het belangrijkste verhalende element, de meeste mededelingen handelen over de mens zelf. Het hout is een spiegel van al die, voornamelijk, religieuze fanaten die veel meer van de kale realiteit willen maken dan wat het is. In elke era, constateert het hout, is er wel weer iets anders in de mode. Het hout kán dit zeggen omdat het langer meegaat dan een mensenleven. Dit milde tot soms woedende neerkijken op de menselijke soort, plus de vorm van de personificatie brengt De Booses Bloedgetuigen (2011) in herinnering, waarin hij ‘de’ twintigste eeuw op een vergelijkbare toon liet spreken.

Maar die sprekende eeuw was nu net het mindere deel in het verder zo indrukwekkende Bloedgetuigen. Eromheen had De Boose (1962) een realistische roman over het beleg van Lenin-

grad, Auschwitz en het flamingantisme geschreven, vol van de dramatische hartenklop die je in veel hedendaagse romans zo node mist. De roman was misschien onmodieus van vorm, er stroomde volop bloed doorheen. Daar ligt dan ook de zwakte van Het vloekhout. Zelden laait in het lezershart de compassie op die gevoeld werd bij Bloedgetuigen – een lezer laat zich niet zo makkelijk aan een stuk hout binden als Christus dat liet gebeuren.

Ook in de besprekingen van eerdere delen van de Vloekhout-trilogie werd de vraag opgeworpen wat dit nu eigenlijk voor tekst was. Die vraag zou ik ook hier willen stellen, met in het verlengde daarvan de vraag wat de bedoeling ervan is. De Boose is alleen al op het niveau van de zin van een bovengemiddeld kaliber, maar het heeft er de schijn van dat hij ze inzet om te demonstreren wat hij (a) allemaal van de geschiedenis weet en (b) hoe hij die geschiedenis duidt (namelijk, de mens is een opportunistisch zwijn). Ik zou zeggen dat alleen als hij het volstrekt tegenovergestelde zou beweren hij verrassend uit de hoek zou komen. Voor Johan de Boose, bezield schrijver, ligt de ruimte in het ouderwets neerzetten van de mens-in-actie.

    • Sebastiaan Kort